De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.4.3.3.3:7.4.3.3.3 Deelaanbeveling II: nader onderzoek naar de mogelijkheden tot beperking van persoonlijke aansprakelijkheid voor eigen beroepsfouten
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.4.3.3.3
7.4.3.3.3 Deelaanbeveling II: nader onderzoek naar de mogelijkheden tot beperking van persoonlijke aansprakelijkheid voor eigen beroepsfouten
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS386792:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 6 voor de bedragen die er in Duitsland zijn gekozen voor bijvoorbeeld advocaten. Ten opzichte van de algemene regeling over de beroepsaansprakelijkheidsverzekering kiest de wetgever hier (voor de PartG mbB) voor een vertienvoudigde som waarvoor men tenminste verzekerd moet zijn. De gedachte van de wetgever is dat dit dient ter bescherming van de schuldeisers en hen compenseert voor het feit dat de vennoten niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor deze schulden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als uit het in de vorige paragraaf aanbevolen onderzoek blijkt dat de aansprakelijkheid voor eigen beroepsfouten als problematisch wordt ervaren en beperking ervan wenselijk zou zijn, dient vervolgens nader te worden onderzocht op welke manier deze beperking het beste zou kunnen worden vormgegeven. Uit mijn onderzoek blijkt dat de oplossing niet moet worden gezocht in (het gebruik van) een rechtsvorm. Het is immers een universeel en persoonlijk probleem van beroepsbeoefenaren en dat vraagt – mijns inziens – om een universele oplossing op het niveau van de beroepsbeoefenaar zelf. Het is interessant om te onderzoeken welke oplossingen denkbaar zijn en wat hun respectievelijke voor- en nadelen zijn. Op basis van de uitkomsten van mijn onderzoek doe ik, vooruitlopend op dit aanvullende onderzoek, graag vast een suggestie voor een mogelijke oplossing.
Ik zou me kunnen voorstellen dat een dergelijke oplossing gevonden zou kunnen worden in een toevoeging aan Boek 6 BW (onrechtmatige daad) en boek 7 BW (overeenkomst van opdracht).
Geïnspireerd op het – in hoofdstuk 6 besproken – Duitse systeem van de PartG mbB zou daarin een voor een specifieke groep beroepsbeoefenaren (rechtsvorm-overstijgende) regeling kunnen worden opgenomen. Deze regeling zou kunnen inhouden dat een beroepsbeoefenaar beschermd is tegen de aansprakelijkheid uit persoonlijke beroepsfouten (zowel op grond van onrechtmatige daad als op grond van artikel 7:404 BW) indien het samenwerkingsverband een adequate beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft. Dit komt per saldo neer op een (soort van) ‘WA-verzekering’ voor beroepsbeoefenaren.
Een dergelijk model kan toegepast worden bij iedere rechtsvorm, omdat het wordt gekoppeld aan de uitoefening van een (bepaald) beroep en niet aan een rechtsvorm. Ook in de desbetreffende beroepsregels zou naar deze regeling verwezen kunnen (en moeten) worden. Hoewel bovenstaande suggestie, in verband met het onderwerp van dit proefschrift, ziet op samenwerkingsverbanden, kan men zich afvragen waarom een vergelijkbare regeling niet eveneens voor zelfstandige beroepsbeoefenaren (eenpitters) zou moeten gelden. Het gaat immers om de aansprakelijkheid voor eigen beroepsfouten en daarmee onderscheiden partners van samenwerkingsverbanden zich niet van eenpitters. Ook voor deze laatste groep zou dan dus (moeten) gelden: een adequate verzekering leidt tot beperkte beroepsaansprakelijkheid. Wat een adequate verzekering is, zal – naar Duits voorbeeld1 – per beroepsgroep en in veel gevallen ook per onderneming of samenwerkingsverband (afhankelijk van bijvoorbeeld de omvang) moeten worden bepaald. Schuldeisers worden in een dergelijk model mijns inziens (ook) voldoende beschermd: zij krijgen hun schade vergoed.
Het aansprakelijkheidsrecht heeft echter – naast het vergoeden van schade – ook nog een andere functie, te weten een gedragsbeïnvloedende functie, in dit geval het bevorderen van de kwaliteit van beroepsuitoefening. Door het beperken van de persoonlijke aansprakelijkheid voor eigen beroepsfouten zou de normerende functie van het aansprakelijkheidsrecht op de tocht kunnen komen te staan. Alhoewel het aansprakelijkheidsrecht weliswaar een belangrijke rol speelt bij de waarborging van de kwaliteit van de beroepsverlening, moet niet vergeten worden dat deze kwaliteit ook wordt gewaarborgd door andere factoren, zoals het tuchtrecht, de verplichte (beroeps)educatie en andere beroepseigen normen. Bovendien zou, in dit door mij voorgestelde model, de aansprakelijkheid voortvloeiende uit opzet of grove schuld van de beroepsbeoefenaar niet beperkt zijn en ook zou er geen beperking gelden voor ‘overige’ persoonlijke onrechtmatigedaad-aansprakelijkheid: deze oplossing ziet slechts op de beperking van de aansprakelijkheid voor eigen beroepsfouten.
De rechtvaardiging voor een dergelijk model zit mijn inziens in de specifieke aard van beroepsuitoefening en zou wat mij betreft ook slechts voor een specifiek aantal beroepsgroepen beschikbaar moeten zijn. Deze door mij bedoelde beroepsbeoefenaren (of welk ‘etiket’ je ook op deze groep ‘specialisten’ plakt) vervullen, zoals ik ook in hoofdstuk 2 al betoogde, een andere rol binnen de samenleving dan mensen met een bedrijf. Zij zijn onderworpen aan beroepsregels en tuchtrecht en dienen daarbij een bepaald maatschappelijk belang. Maar bovenal hebben zij een wettelijke plicht om diensten te verlenen. Het is precies deze plicht die maakt dat zij naar mijn mening een sterkere mate van bescherming verdienen. Zij kunnen er immers enkel voor kiezen om hun beroep wel of niet uit te oefenen, maar als zij deze keuze eenmaal gemaakt hebben, kunnen zij niet vrij meer kiezen om hun diensten wel of niet te verlenen. Zoals gezegd, als ze hun diensten (niet) mogen verlenen, moeten ze die ook (niet) verlenen. Naar huidig recht hebben de notaris, de accountant en de arts een dergelijke wettelijke plicht. Voor deze beroepsgroepen zou een (mogelijkheid tot) beperking van de beroepsaansprakelijkheid in mijn ogen derhalve passend zijn.
Het door mij gesuggereerde model is slechts een van de mogelijkheden tot beperking van persoonlijke aansprakelijkheid voor eigen beroepsfouten. Zoals in hoofdstuk 3 aan de orde kwam, is in het begin van de jaren negentig in de literatuur al eens uitgebreid gediscussieerd over de wettelijke limitering van beroepsaansprakelijkheid op grond van een algemene maatregel van bestuur (ex artikel 6:110 BW). Hoewel mijn suggestie en wettelijke limitering bepaalde overeenkomsten vertonen, bestaan er ook verschillen. De overeenkomst is dat de gelaedeerde in beide gevallen zijn schade vergoed krijgt tot een maximaal bedrag. Verschillen worden goed zichtbaar op het moment dat er geen wettelijke plicht bestaat om te verzekeren tegen beroepsaansprakelijkheid (zoals bijvoorbeeld bij medisch specialisten het geval is). Waar in een dergelijk geval de positie van de gelaedeerde zwakker wordt bij wettelijke limitering, blijft bij mijn alternatief de positie van de gelaedeerde beschermd. Een ander verschil betreft de positie van de beroepsbeoefenaar. Waar bij wettelijke limitering de beroepsbeoefenaar noodzakelijkerwijs persoonlijk aansprakelijk blijft om vervolgens met een beroep op zijn verzekering de schade te kunnen vergoeden, zal bij mijn suggestie de gelaedeerde een directe aanspraak hebben richting de verzekeraar en hoeft de beroepsbeoefenaar dus niet persoonlijk aansprakelijk te zijn (mits uiteraard adequaat verzekerd). Mijn alternatief biedt bovendien de mogelijkheid om de term ‘adequaat verzekerd’ van geval tot geval achteraf (door de rechter) te (laten) beoordelen, terwijl bij het instrument van wettelijke limitering de grenzen op voorhand vastliggen, derhalve meer rigide zijn en bovendien onderhevig zijn aan veroudering en verandering.