Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.12.14:9.12.14 Aard en inhoud van de rechtsverhouding
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.12.14
9.12.14 Aard en inhoud van de rechtsverhouding
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598505:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
397. De aard en inhoud van de rechtsverhouding kan meebrengen dat de onwetendheid van de handelende functionaris eenvoudigweg voor risico komt van de rechtspersoon. Een beschouwing van de risicoverdeling in een overeenkomst tussen de rechtspersoon en de wederpartij kan bijvoorbeeld tot die conclusie leiden. Het kan zijn dat een beding in de overeenkomst zelfstandig bepaalt welke kennis aan de rechtspersoon wordt toegerekend.1 De verkeersopvattingen spelen dan geen rol. Maar het kan ook zijn dat de overeenkomst een zekere risicoverdeling impliceert. Die risicoverdeling kan dan weer een factor zijn in de meeromvattende weging van omstandigheden die de rechter verricht. In het algemeen leent een contractuele verhouding zich beter voor het ‘inlezen’ van een risicoverdeling dan andere rechtsverhoudingen. Dat komt doordat partijen bij een contract in de gelegenheid zijn (geweest) om iets te af te spreken over het risico op kennisversplintering en dat risico in beginsel kunnen verdisconteren in de prijs van hun prestatie.2 Zie hierover ook par. 9.13.4.
Volgens Tjong Tjin Tai was bij Haagse Gasfabriek – over de verkoop van verontreinigde grond – van belang dat “op de achtergrond een (eerdere) contractuele relatie” speelde waarbinnen een bepaalde risicoverdeling gold. Hij suggereert dat bij onrechtmatige daden zonder ‘contractuele achtergrond’ terughoudender moet worden omgegaan met toerekening van kennis.3 Mijns inziens deed de contractuele achtergrond er in het geval van Haagse Gasfabriek niet toe. Stel dat de gemeente was aangesproken door ouders van kinderen die op het betrokken terrein waren gaan spelen en ziek waren geworden. Dan zou de gemeente vermoedelijk evenmin een beroep zijn toegekomen op het feit dat de kennis over het gebruik als stortplaats was verwaterd en niet aanwezig was bij de ambtenaren die belast waren met het beheer van braakliggend terrein.
Het BGH lijkt de aard van de rechtsverhouding een factor van belang te achten. In een arrest uit 2015 overwoog de XIe Zivilsenat dat een bank wel jegens haar contractuele wederpartij een organisatieplicht heeft, maar dat die plicht niet relevant is voor de verjaring van rechtsvorderingen van de bank op een derde.4 In par. 9.6.6 wees ik er al op dat andere Zivilsenate wel een organisatieplicht buiten contractuele verhoudingen aannemen. In mijn opvatting vloeit de Nederlandse organisatieplicht voort uit de verkeersopvattingen. Daarmee past de organisatieplicht prima in buitencontractuele verhoudingen; het is niet (alleen) een plicht jegens de wederpartij. Dat neemt niet weg dat een organisatieplicht onderdeel kan zijn van een contractuele verhouding en in die context nader wordt ingevuld. Dat komt aan de orde in de volgende paragraaf.