Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/2.7
2.7 Verschillende governancemodellen in collectieve procedure denkbaar
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband ook P. Aghion, O. Hart en J. Moore, The Economics of Bankruptcy Reform, 1992, NBER, Working Paper No. 4097, p. 7 die vaststellen dat ter vehelping van het common pool probleem voldoende is dat een curator de onderneming of de activa van de onderneming verkoopt en de opbrengst onder de crediteuren verdeelt overeenkomstig ieders recht.
Zie voor de minimumelementen die een faillissementssysteem zou moeten bevatten O. Couwenberg and S.J. Lubben, Essential Corporate Bankruptcy Law, Eur. Bus. Org. Law. Rev. (2015), 16:39-61. Couwenberg en Lubben betogen dat voor een effectief faillissementssysteem een herstructureringsmechanisme niet essentieel is. Essentieel zijn volgens hen slechts mechanismen voor “asset stabilization” en “asset separation” ten einde de waardecomponenten op een efficiënte manier te kunnen verkopen aan een derde. Om dit te bereiken is volgens Couwenberg en Lubben niet meer nodig dan een tijdelijk moratorium (stay), de mogelijkheid een boedelkrediet aan te trekken (nieuw geld boven oud geld), de mogelijkheid contracten te behouden, een onafhankelijke insolventiefunctionaris die in het belang van alle crediteuren handelt en duidelijke verdelingsregels.
Vgl. N.W.A. Tollenaar, Materiële crediteurenbescherming: een balans tussen juridische en economische bescherming, TvI 2014/31 en S. Madaus, Rescuing Companies Involved in Insolvency Proceedings with Rescue Plans, NACIIL Reports 2012, p. 21-23.
Idem.
Vgl. ook G. Moss, Chapter 11 – an English lawyers critique, Insolvency Intelligence 1998, p. 3.
Zie voorts O. Couwenberg, Buurmans gras is altijd groener: reflectie op de relatieve efficiëntie van insolventiesystemen, TvI 2000, p. 127 e.v. die in dit verband opmerkt: “De verwachtingen omtrent het succes van reorganisatieprocedures, gemeten naar “survival rate” en “debt recovery,” moeten niet te hoog worden gespannen. Indien wordt gelet op de omvang van de bestudeerde ondernemingen blijkt niet dat reorganisatieprocedures beduidend beter presteren dan liquidatieprocedures. Uit de studies blijkt dat insolventiesystemen gericht op de liquidatie van de debiteur-onderneming niet leiden tot lagere “firm survival rates” dan systemen met een expliciete reorganisatieregel. Een soortgelijke observatie kan worden gemaakt voor wat betreft de “debt recovery rate” voor de schuldeisers gezamenlijk. (…) Ongeacht de “survival rate” van reorganisatieprocedures in verschillende landen, lijkt het een feit dat de “going concern sale” een belangrijk instrument is voor het oplossen van de financiële problemen van (insolvabele) ondernemingen. (…) Zoals de studies aantonen, neemt in bijna alle insolventiesystemen een activatransactie een belangrijke plaats in; ook in de reorganisatieprocedures zelf.” Zie ook O. Couwenberg, Reorganisatie-obstakels in faillissement, Ondernemingsrecht 2004/223; O. Couwenberg, Survival Rates in Bankruptcy Systems: Overlooking the Evidence, European Journal of Law and Economics 2001, p. 253-273; O. Couwenberg, N.E.D. Faber & S.C.J.J. Kortmann, De Efficiëntie van de Nederlandse Faillissementswet, Onderzoekscentrum Onderneming & Recht 2001; O. Couwenberg and A. de Jong, Costs and recovery rates in the Dutch liquidation-based bankruptcy system, Eur J Law Econ (2008), 105-127 en Couwenberg and S.J. Lubben, Essential Corporate Bankruptcy Law, Eur. Bus. Org. Law. Rev. (2015), 16:39-61 waarin de auteurs betogen dat voor een effectief faillissementssysteem een herstructureringsmechanisme niet nodig is. Essentieel zijn volgens hen slechts een mechanismen voor “asset stabililization” en “asset separation” ten einde de waardecomponenten op een efficiënte manier te kunnen verkopen aan een derde (liquideren). Zie in dezelfde zin ook M.C. Jensen, Corporate Control and the Politics of Finance, Journal of Applied Corporate Finance, 1991, Vol. 4, No. 2, p 13-33 die zeer kritisch is over de reorganisatieprocedure van Chapter 11 en een systeem voorstelt waarbij insolvente ondernemingen altijd door middel van een controlled auction worden geveild. De redenen die Jensen hiervoor noemt zijn zeer vergelijkbaar met de redenen voor “asset stabilization” en “asset separation” die Couwenberg en Lubben aandragen.
D.G. Baird, The Uneasy Case for Corporate Reorganizations, 15 J. Legal. Stud. 127 (1986); D.G. Baird and R.K. Rasmussen, The End of Bankruptcy, 55 Stanford Law Review 751 (2002); D.G. Baird, Chapter 11 at Twilight, 56 Stanford Law Review 673 (2003); J.S. Moore and V.P. Slusher, Bankruptcy Code section 363-sales: Trends and Opportunities, Westlaw 2007 nr. 9, Norton Bankr. L. Adviser 2; B. Keach, Chapter 11 at the crossroads, Global Turnaround, November 2009. Zie ook G. Moss, Chapter 11 – an English lawyers critique, Insolvency Intelligence 1998, p. 2: “I was fascinated and gratified to read in the literature concerning Chapter 11 that in a large number of cases the Chapter 11 procedure leads to the sale of one or more parts of the debtor company’s business as a going concern, giving a significantly better return than a liquidation forced sale. (…) I suspect that more time could meaningfully be spent on studying whether each system is good at producing a more beneficial sale than in liquidation than on the relatively few cases where a complete rescue is achieved. (…). The empirical research in the US appears to show that there is no real evidence that Chapter 11 is a successful rehabilitation procedure. There is however empirical evidence that it gives rise to better realisations than in a forced sale in liquidation because of the protection of the statutory stay.” Zie ook P. Aghion, O. Hart en J. Moore, The Economics of Bankruptcy Reform, 1992, NBER, Working Paper No. 4097, p. 3 die eveneens vaststellen dat het verkopen van de onderneming aan een derde (“sell or liquidate the company”) veelal de voorkeur zal genieten.
Zie in dit verband A. Shleifer and R.W. Vishny, Liquidation Values and Debt Capacity: A Market Equilibrium Approach, The Journal of Finance, Vol. XLVII, no. 4, September 1992; A. Schleifer and R.W. Vishny, Fire Sales in Finance and Macroeconomics, Journal of Economic Perspectives, Vol. 25, 2011
Zie paragraaf 4.2.2.
T.H. Jackson, Of Liquidation, Continuation, and Delay: An Analysis of Bankruptcy Policy and Nonbankruptcy Rules, Am. Bankr. L.J. 399, 1986; D.G. Baird and T.H. Jackson, Corporate Reorganizations and the Treatment of Diverse Ownership Interests: A comment on Adequate Protection of secured Creditors in Bankruptcy, University of Chicago Law Review, 1984/51.
Zie paragrafen 2.6.4-2.6.5, 3.4.4-3.4.7, 6.16.2, 6.16.7, 8.2.5 en 8.9.6-8.9.7.
Vervangt men, om het common pool probleem op te lossen, individuele verhaalsprocedures door een collectieve procedure, dan ontstaat als logisch voortvloeisel daarvan een governance vraagstuk: hoe moet het collectief beslissen?
Een beslissing over de verdeling van de beschikbare waarde hoeft het collectief in beginsel niet te nemen. De verdeling wordt in beginsel bepaald door de onderscheiden pre-faillissementsrechten van de crediteuren.
De belangrijkste beslissing die het collectief moet nemen gaat over de vraag hoe de beschikbare waarde het best te realiseren: moet de onderneming in stukken of als geheel worden verkocht en, zo ja, op welke wijze, aan wie en tegen welke voorwaarden of kan de onderneming beter worden overgenomen door de crediteuren zelf?
Voor een oplossing van het common pool probleem is een democratisch governance model, zoals een akkoordprocedure in eenvoudigste vorm, niet per se vereist.1 Het belangrijkste dat nodig is om het common pool probleem op te lossen, is: (i) de mogelijkheid om tijdelijk individuele verhaalsrechten te bevriezen om een ongecontroleerde wedloop op de activa van de onderneming te voorkomen, (ii) een mechanisme om de beschikbare waarde op een gecoördineerde wijze te realiseren en (iii) waarborgen die schuldeisers het vertrouwen geven dat ieder het zijne zal ontvangen overeenkomstig diens recht.2
De beslissing hoe de beschikbare waarde het best te gelde is te maken ten behoeve van de crediteuren als geheel is met verschillende governance modellen te nemen. Een autocratisch beslismodel is denkbaar, waarbij bijvoorbeeld een bewindvoerder of curator zelfstandig ten behoeve van het collectief beslist. Een judicieel systeem is denkbaar, waarbij een rechter de beslissing neemt na partijen te hebben gehoord. Een democratisch beslismodel, zoals ten dele ten grondslag ligt aan een akkoord, is ook een van de mogelijkheden.3
Een democratisch beslismodel verdient lang niet altijd de voorkeur. Met name in situaties waarin er grote tijdsdruk bestaat, de beschikbare waarde in rap tempo verdampt en er geen reële andere mogelijkheid bestaat dan een activatransactie, kan een autocratisch model de voorkeur verdienen waarbij een functionaris, zoals een curator, snel en doortastend namens de crediteuren als groep kan handelen en beslissen.4 Is er geen andere reële optie dan een verkoop tegen betaling in contanten aan een derde, dan zijn de belangrijkste beslissingen die voor het collectief moeten worden genomen die over de inrichting van het verkoopproces en de prijs. Deze komen mij voor als beslissingen die de crediteuren ex ante aan een curator (onder toezicht van een rechter-commissaris) in de geschetste omstandigheden wel zouden willen toevertrouwen. Democratische besluitvorming over deze onderwerpen zou, onder de tijdsdruk en andere beperkende omstandigheden, het resultaat voor de crediteuren als geheel zelfs negatief kunnen beïnvloeden.5
Een going concern verkoop aan een derde (liquidatie) geniet in het merendeel van de gevallen de voorkeur boven een herstructurering (overdracht van de onderneming aan de crediteuren zelf).6 Baird zet overtuigend uiteen waarom het belang van de crediteuren als geheel in de regel beter gediend is met een activaverkoop aan een derde dan met een reorganisatie (verkoop aan de crediteuren zelf) en geeft daarmee een verklaring voor het verschijnsel dat in het overgrote deel van de Chapter 11 procedures een activatransactie en geen traditionele reorganisatie meer plaatsvindt.7 Deze activatransacties vinden plaats zonder de totstandkoming van een akkoord en daarmee zonder de daarbij behorende democratische besluitvorming.
Dit neemt niet weg dat zich nog steeds situaties voor kunnen doen waarin een verkoop van de onderneming (going concern) tegen betaling in contanten onder de gegeven omstandigheden slechts mogelijk is tegen een prijs die zo ver beneden de gepercipieerde waarde van de onderneming ligt dat het aantrekkelijker voor de crediteuren kan zijn (of lijken) om de onderneming zelf over te nemen (en daarmee door te financieren).8
Het is met name voor deze situaties, waarin de beslissing voorligt om de crediteuren de onderneming zelf te laten overnemen en door te laten financieren, dat een democratisch beslissingsmodel naar mijn mening geboden is. Ik kom hier in hoofdstuk 4 op terug.9
Jackson en Baird spreken bij de ontwikkeling van hun creditors’ bargain theorie geen concrete voorkeur voor een governance model uit, maar veronderstellen het governance model van Chapter 11. Wel benadrukken zij het belang van een algemene regel die vanzelfsprekend lijkt, maar verrassend vaak wordt veronachtzaamd. Dit is de regel dat degenen die bij een bepaalde beslissing of maatregel baat hebben, ook de lasten (kosten en risico’s) daarvan moeten dragen.10 Er vindt anders geen goede baten/lasten afweging plaats. Ligt de beslissing over het nemen van een maatregel in handen van iemand die er uitsluitend of voornamelijk baat bij heeft, terwijl de lasten uitsluitend of voornamelijk liggen bij een ander, dan zal de beslisser voor de maatregel kiezen ook al overtreffen de lasten de baten ervan. Dit veroorzaakt perverse prikkels in het systeem en leidt per saldo niet tot het beste resultaat voor de crediteuren als groep (lasten overstijgen de baten). Dit gevaar speelt in het bijzonder bij de beslissing om de onderneming (tijdelijk) voor te zetten en bij de keuze voor een herstructurering in plaats van een liquidatie. Ook hierop kom ik in het vervolg terug.11