Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/184
184 Rechtsovergang bij de levering?
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 29-09-2025
- Datum
29-09-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD25148:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Aldus Van Mierlo 1988, par. 6.3.1.1, Blom 1989, p. 14, Reehuis 1989, p. 74-78, Kortmann 1992, p. 209, Janssen 1992a, p. 163-164, Faber 1997, p. 182, Faber 2000, p. 175-178, 181 en 183, Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 420-423, Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, nr. 307-308, Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 227 en Out 2003, in het bijzonder op p. 63 en 79-80.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1250.
Van Swaaij 2000; zie bijvoorbeeld nr. 166 en 194. Deze gedachte is ook te vinden bij Reehuis 1989, p. 74-78, die deze gedachte overigens nadrukkelijk niet tot zijn opvatting maakt. Vgl. ook Westrik 2003, p. 123-125.
Faber 2000, p. 178-180.
Verreweg de meeste schrijvers stellen zich op het hiervóór ook door mij ingenomen standpunt dat voor rechtsovergang als gevolg van een levering bij voorbaat naar geldend recht beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder op het moment van rechtsovergang vereist is.1 Ook in de wetsgeschiedenis van art. 3:97 BW lijkt hiervan te zijn uitgegaan.2
Een andere, in zijn dissertatie door Van Swaaij verdedigde opvatting, is dat de rechtsovergang in geval van een levering bij voorbaat van een toekomstig goed niet in de toekomst plaatsvindt, op het moment van het tegenwoordig worden van het goed in het vermogen van de vervreemder, maar op het moment van de levering bij voorbaat. Een rechtssubject zou volgens deze opvatting vandaag beschikkingsbevoegd zijn met betrekking tot een goed dat hem vandaag nog niet toebehoort.3
Deze opvatting impliceert dat beschikkingsbevoegdheid voor een geldige rechtsovergang uitsluitend vereist is op het moment van de levering (bij voorbaat) en derhalve niet op het moment van de rechtsovergang. Consequentie van deze opvatting zou zijn, dat een faillissement van de vervreemder de rechtsovergang van een bij voorbaat geleverd goed uitsluitend verhindert als gevolg van het in art. 35 lid 2 Fw bepaalde en niet door de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder.
Faber heeft geanalyseerd waarom deze opvatting niet het geldende recht weergeeft. De kern van zijn analyse begrijp ik aldus, dat men niet kan beschikken over een goed waarvan men niet de rechthebbende is. Dat men alvorens rechthebbende van een goed te zijn reeds leverings- en vestigingshandelingen ten aanzien van dat goed kan verrichten doet daar niets aan af; goederenrechtelijke aanspraken of bindingen ten aanzien van het betreffende goed leveren dergelijke handelingen niet op. Hoe sterk de positie van de toekomstige verkrijger ook is (zie hiervóór), hij heeft slechts een obligatoire aanspraak jegens de vervreemder totdat aan het vereiste van beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder is voldaan, het moment waarop hij de rechthebbende van het goed wordt.4