Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/182
182 Verhindering van het rechtsgevolg
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 23-09-2025
- Datum
23-09-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD24952:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zoals aangekondigd in de inleiding wordt uitsluitend aandacht besteed aan de gevolgen van faillietverklaring van de pandgever. Verlening van al dan niet voorlopige surseance van betaling en het van toepassing worden van de wettelijke schuldsanering hebben echter dezelfde gevolgen. Zie bijvoorbeeld voor de overeenkomstige toepasselijkheid van de in art. 35 lid 2 Fw neergelegde regel tijdens een (voorlopige) surseance HR 15 maart 1991, NJ 1992, 605 m.nt. WMK (Veenendaal q.q./Hogeslag).
Zie HR 10 januari 1992, NJ 1992, 744 m.nt. HJS (Ontvanger/NMB).
Zie Reehuis 1989, p. 75.
Vgl. Van der Feltz I, p. 339-346.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1250 en Schoordijk 1986, p. 330.
Vgl. Wiarda 1937, p. 418 en Reehuis 1989, p. 75-76. Deze auteurs geven hier overigens niet hun eigen opvattingen weer.
Volgt na een verpanding bij voorbaat een faillissement dat wordt opgeheven ‘bij gebrek aan baten’ ex art. 16 Fw vóórdat het verpande toekomstige goed tegenwoordig geworden is, dan ontstaat hierop wel het bij voorbaat gevestigde pandrecht. Art. 20 en 35 lid 2 Fw staan daar niet aan in de weg en de pandgever is op het moment waarop hij het goed verwerft weer beschikkingsbevoegd.
Eén van de bijzondere aspecten van een levering met uitgestelde rechtsovergang is dat de verkrijger van het goed een sterke positie ten opzichte van de vervreemder van het bij voorbaat aan hem geleverde goed en tegenover derden verkrijgt. Zodra zich een bepaalde gebeurtenis voordoet, het toekomstige goed wordt een tegenwoordig goed, gaat het recht op het goed op hem over. De positie van de verkrijger is niet alleen sterk om de reden dat hij van rechtswege rechthebbende wordt doordat de gebeurtenis zich voordoet, maar tevens doordat noch derden, noch de vervreemder, de rechtsovergang nog kunnen verhinderen. Zoals gezegd verhindert weliswaar het beschikkingsonbevoegd worden van de vervreemder de rechtsovergang, maar een na de levering bij voorbaat op het goed gelegd beslag,1 een latere vervreemding daarvan,2 of een latere vestiging van een beperkt recht daarop,3 kunnen de latere rechtsovergang van het goed niet verhinderen.
Failleert4 de vervreemder vóór de rechtsovergang heeft plaatsgevonden, dan wordt de rechtsovergang niet alleen verhinderd door zijn beschikkingsonbevoegdheid, maar tevens door art. 35 lid 2 Fw, dat bepaalt dat een bij voorbaat door de gefailleerde geleverd goed in de boedel valt, indien het pas na diens faillietverklaring door hem wordt verkregen.5 Ook art. 20 Fw verhindert rechtsovergang van een bij voorbaat geleverd goed, indien het pas na diens faillietverklaring door de vervreemder wordt verkregen. Dit artikel bepaalt namelijk dat tot het faillissement behoort hetgeen de gefailleerde tijdens het faillissement verwerft.6 Met deze bepaling is bedoeld dat het faillissementsbeslag rust op, de wettelijke uitzonderingen daargelaten, al de goederen die tot het vermogen van de gefailleerde behoren, alsmede de goederen die daar na het faillissement toe gaan behoren, in het laatste geval ongeacht de vraag of het op de faillissementsdatum absoluut of relatief toekomstige goederen betreft.7
Anders zou dit zijn indien men, anders dan naar geldend recht het geval is,8 zou aannemen dat een levering bij voorbaat tot gevolg heeft dat het goed, indien het een absoluut toekomstig goed betreft, niet ontstaat in het vermogen van de vervreemder maar in het vermogen van de verkrijger9 casu quo, indien het een relatief toekomstig goed betreft, niet door de vervreemder verkregen wordt alvorens de verkrijger daarvan rechthebbende wordt.10