Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.7.5.2.1:II.7.5.2.1 Factoring
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.7.5.2.1
II.7.5.2.1 Factoring
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS494233:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 26 juni 2003, zaak C-305/01, FED 2003/513 (MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring; m.aant. J.J.P. Swinkels). Zie ook HvJ 27 oktober 2011, zaak C-93/10, V-N 2011/55.17, r.o. 20 (GFKL Financial Services).
‘Betrokken goed’ is geen vertaalfout in het Nederlands. In de Duitse, Engelse en Franse taalversie van het arrest gaat het over ‘betreffenden Gegenstands’, ‘bien en question’ respectievelijk ‘property in question’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als het kopen van schuldvorderingen dienstverlening onder bezwarende titel impliceert, kan de koper daardoor ondernemer zijn (zie par. 3.2). Daarbij zou in elk geval bij een factor zoals in de zaak MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring aan de orde was, verwacht worden dat hij de werkzaamheden van een dienstverrichter verricht (vgl. artikel 9, lid 1, tweede volzin, Btw-richtlijn). Het Hof van Justitie ziet in een factor echter een exploitant van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen (vgl. artikel 7, lid 2, onderdeel b, Wet OB 1968 en artikel 9, lid 1, derde volzin, Btw-richtlijn). In het arrest in de zaak MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring overweegt het Hof namelijk:1
‘50. (…) Dat de factor de klant betaling van de vorderingen garandeert en het debiteurenrisico op zich neemt, moet worden beschouwd als de exploitatie van het betrokken goed om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen in de zin van [artikel 9, lid 1, derde volzin, Btw-richtlijn – WJB], wanneer deze handeling – zoals ook in de hoofdzaak het geval was – tegen vergoeding en voor bepaalde tijd wordt verricht.’
Het Hof van Justitie en A-G Jacobs laten onbelicht waarom de factor in kwestie een vermogensbestanddeel exploiteert om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Het ligt naar mijn mening meer voor de hand dat een factor een dienstverrichter is in de zin van artikel 9, lid 2, tweede volzin, Btw-richtlijn. Mijn indruk is echter dat de aangehaalde rechtsoverweging niet zozeer een principiële beslissing bevat, als wel door het procedureverloop is ingegeven. Partijen hebben namelijk een vergelijking gemaakt met het verkrijgen en houden van aandelen en bij aandelen heeft de vraag gespeeld of sprake is van een exploitatie om duurzaam opbrengst te verkrijgen (zie nader par. 4.5). Dit lijkt het Hof van Justitie te hebben doorgetrokken. Een ander opvallend element is dat het Hof van Justitie spreekt over exploitatie van ‘het betrokken goed’, terwijl geld en schuldvorderingen op grond van artikel 14, lid 1, Btwrichtlijn duidelijk geen goed zijn.2