Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/10.2.1
10.2.1 Wettelijk kader
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS595005:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Machielse, Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 3 bij art. 272 Sr (bijgewerkt tot 1 juli 2006).
Machielse, Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 3 bij art. 272 Sr en aant. 1.8 bij art. 192 Sr (bijgewerkt tot 1 juli 2006); Van der Meij, T&C Strafrecht, aant. 10d bij art. 272 Sr (bijgewerkt tot 1 juli 2016). Zie voor de wettelijke grondslagen en beperkingen van het beroepsgeheim van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts Gevers 2013.
Van der Meij, T&C Strafrecht, aant. 6 bij art. 272 Sr (bijgewerkt tot 1 juli 2016).
Ten aanzien van ziekenhuizen is dit uitgemaakt in onder meer HR 29 juni 2004, NJ 2005/273. Zie ook HR 27 april 2012, NJ 2012/408, r.o. 3.5.4 inzake het afgeleide verschoningsrecht van een administratiekantoor aan wie een geheimhouder administratie heeft toevertrouwd.
Dolman, T&C Strafrecht, aant. 6.b bij art. 51 Sr (bijgewekt tot 1 juli 2016) stelt dat wanneer sprake is van een kwaliteitsdelict en de rechtspersoon niet de vereiste kwaliteit bezit, de desbetreffende norm niet tot hem is gericht. De rechtspersoon is geen arts, advocaat, geestelijke enz. Die omstandigheid sluit volgens Dolman aansprakelijkheid als deelnemer, bijvoorbeeld als medepleger echter niet uit, mits de pleger de desbetreffende kwaliteit wel bezit.
Geheimhoudingsplichten die op grond van bijzondere wetten rusten op specifieke publiekrechtelijke rechtspersonen of rechtspersonen met een publieke taak laat ik buiten beschouwing.
Het betreft hier stukken die de professionele verhuurder op grond van art. 444a lid 3 Rv verplicht is ter inzage aan de deurwaarder te geven indien een redelijk vermoeden bestaat dat in beslag te nemen zaken zich bevinden in de verhuurde ruimte.
Van der Meij, T&C Strafrecht, aant. 10g bij art. 273 Sr (bijgewerkt tot 1 juli 2016).
Rechtspraak en literatuur over dit onderwerp heb ik niet gevonden; de stellingen in deze alinea zijn gebaseerd op eigen wetsinterpretatie en raadpleging van strafrechtadvocaten van mijn kantoor.
Doorbreking van de geheimhoudingsplicht is volgens de binnen het gezondheidsrecht gangbare opvatting alleen mogelijk met toestemming van de patiënt, op grond van een wettelijk voorschrift of in geval van een conflict van plichten. Andere voorbeelden van wettelijke voorschriften zijn te vinden in de Wet op de lijkbezorging en de Infectieziektenwet. Zie Van der Meij, T&C Strafrecht, aant. 11 bij art. 272 Sr (bijgewerkt tot 1 juli 2016).
Gevers 2013, p. 747.
413. Op grond van art. 272 Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie. Opzet is vereist; wie onvoorzichtig met de aan hem toevertrouwde gegevens omspringt waardoor deze bekend worden, is niet strafbaar.1 Welke beroepsbeoefenaren een geheimhoudingsplicht hebben zoals in dit artikel bedoeld, heeft de wetgever grotendeels overgelaten aan de rechtspraak.2 Niet in geschil is dat artsen (inclusief bedrijfsartsen en verzekeringsartsen), notarissen en advocaten tot deze categorie behoren.3 Het delict kan ook door rechtspersonen worden begaan.4 De rechtspersoon waarbinnen ‘geheimhouders’ hun activiteiten uitoefenen en die daarvan de administratie voert, kan een afgeleid verschoningsrecht hebben.5 Of op een dergelijke rechtspersoon daarmee ook een afgeleide geheimhoudingsplicht rust waarvan de schending strafbaar is op grond van art. 272 Sr, is in de jurisprudentie nog niet uitgemaakt. In de literatuur wordt er echter van uitgegaan dat de rechtspersoon waarbinnen ‘geheimhouders’ hun werkzaamheden verrichten, wel strafbaar kan zijn op grond van art. 272 Sr, hetzij omdat de rechtspersoon een afgeleide geheimhoudingsplicht heeft,6 hetzij omdat de rechtspersoon dit delict kan medeplegen met een van de ‘geheimhouders’.7 Voor rechtspersonen kunnen daarnaast geheimhoudingsplichten voortvloeien uit wettelijke voorschriften inzake het (digitale) briefgeheim, zoals art. 13 Grondwet en art. 273a e.v. Sr, en inzake staatsgeheimen (art. 98 Sr).8 Ook op deurwaarders, die hun werkzaamheden soms verrichten vanuit een besloten vennootschap of andere rechtspersoon, rusten geheimhoudingsplichten. Zo dient de deurwaarder de inhoud van het register en de stukken waarin de gebruikers van verhuurde ruimtes zijn vermeld, geheim te houden (art. 444b lid 3 Rv).9 Op een deurwaarder die bewijsbeslag legt en de gerechtelijk bewaarder van de bescheiden die in beslag zijn genomen, rust eveneens een geheimhoudingsplicht. Bij bewijsbeslag in zaken van intellectueel eigendom vloeit die plicht voort uit art. 1019b lid 4 Rv; bij algemeen bewijsbeslag volgt dit uit HR 13 september 2013, NJ 2014/455. In beide gevallen kunnen deze voorschriften worden aangevuld door concrete voorschriften van de voorzieningenrechter die het beslagverlof verleent. Verder bepaalt art. 12 Wbp dat de rechtspersoon (“verantwoordelijke”) en diens functionarissen (“een ieder die handelt onder het gezag van de verantwoordelijke”) verplicht zijn om de persoonsgegevens waarvan zij kennisnemen, geheim te houden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Dit is een verplichting tot geheimhouding uit hoofde van een wettelijk voorschrift in de zin van art. 272 Sr.10
Art. 273 Sr betreft de schending van bedrijfsgeheimen. Op grond van art. 273 Sr wordt met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie gestraft hij die opzettelijk aangaande een onderneming van handel, nijverheid of dienstverlening bij welke hij werkzaam is of is geweest, bijzonderheden waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekend maakt. Bekend maken betekent niet alleen openbaar maken: er is al sprake van een bekendmaking in de zin van art. 273 Sr wanneer het geheim aan één persoon wordt medegedeeld.11
414. Heeft de rechtspersoon zelf een geheimhoudingsplicht, dan is het de rechtspersoon verboden om de vertrouwelijke informatie te delen met derden. Dat brengt niet mee dat het de rechtspersoon ook verboden is om die informatie intern te delen. Of dat interne delen onder omstandigheden toch op grond van commuun strafrecht strafbaar kan zijn, bijvoorbeeld indien de informatie wordt gedeeld met functionarissen die die informatie in het geheel niet nodig hebben voor de uitoefening van hun functie, is niet duidelijk. Rechtspraak en literatuur daarover ontbreken. Evenmin is uitgemaakt wat geldt wanneer de geheimhoudingsplicht niet rust op de rechtspersoon als zodanig, maar wel op individuele beroepsbeoefenaren die in een verband van beroepsbeoefenaren werken, zoals een advocatenkantoor, een artsenmaatschap of een ziekenhuis.12 Geschiedt de interne uitwisseling van vertrouwelijke gegevens ter uitvoering van de overeenkomst met de cliënt of patiënt, dan zal deze niet gauw gelden als schending van een geheimhoudingsplicht. Voor medische hulpverleners volgt dit uit art. 7:457 lid 2 BW. 13 Dit artikel is echter niet overeenkomstig van toepassing op onvrijwillige contacten van de werknemer en de uitkeringsgerechtigde met de bedrijfsarts resp. de verzekeringsarts, bijvoorbeeld in het kader van een medische keuring.14 Voor notarissen en advocaten zal interne uitwisseling van gegevens veelal zijn toegestaan wanneer de cliënt daarvoor toestemming heeft gegeven aan de beroepsbeoefenaar. Deze toestemming kan besloten liggen in de contractuele relatie tussen beroepsbeoefenaar en cliënt. Is de collega met wie een geheimhouder vertrouwelijke gegevens deelt, echter in het geheel niet werkzaam voor de cliënt of patiënt en is met het delen van de informatie geen enkel belang van de cliënt of patiënt gediend, dan vormt het opzettelijk delen van de informatie strikt genomen een strafbaar feit. Zolang de gegevens echter binnen de muren van het kantoor of de instelling blijven, is vervolging – waarvoor een klacht van de betrokkene is vereist, zie art. 272 lid 2 Sr – uitermate onwaarschijnlijk. Datzelfde zal vermoedelijk gelden wanneer beroepsbeoefenaren en ondersteunend personeel binnen de rechtspersoon toegang hebben tot documenten of bestanden die vertrouwelijke gegevens bevatten en die behoren tot dossiers van andere beroepsbeoefenaren.