De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/5.4:5.4 Wetsgeschiedenis
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/5.4
5.4 Wetsgeschiedenis
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS374060:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Franse huurrecht is enigszins vergelijkbaar met het Nederlandse. Dat is niet geheel onbegrijpelijk, aangezien beide rechtsstelsels voortvloeien uit de Code Napoléon, die in 1804 ook in Nederland is ingevoerd. Zowel in Nederland als in Frankrijk is het huurrecht oorspronkelijk opgenomen in het Burgerlijk Wetboek respectievelijk de Code Civil en betrof het in eerste instantie slechts een klein aantal bepalingen, welke bepalingen naar aanleiding van economische ontwikkelingen steeds verder zijn uitgebreid. In beide landen heeft schaarste op de onroerend- goedmarkt ertoe geleid dat er bepalingen zijn ingevoerd om de huurder te beschermen tegen een al te eenvoudige beëindiging van de huurovereenkomst door de verhuurder (om het gehuurde tegen een hogere huurprijs aan een ander te kunnen verhuren) en tegen ongelimiteerde huurprijsverhogingen.
In aanvulling op de bepalingen die in de Code Civil waren opgenomen, werden in 1926 in de Code de Commerce (vergelijkbaar met het Nederlandse Wetboek van Koophandel) de eerste bijzondere bepalingen voor de huur van bedrijfsruimte opgenomen. Dit betrof bepalingen die de huurder de mogelijkheid gaven aanspraak te maken op verlenging van de huurovereenkomst of op een schadevergoeding als de verhuurder de verlenging weigerde en een regeling betreffende een nadere huurprijsvaststelling.1 Al sinds de inwerkingtreding van deze wet, op 30 juni 1926, valt de ongebouwde onroerende zaak waarop door de huurder een commerciële ruimte wordt gebouwd onder de werking van de regeling die de huur van bedrijfsruimte regelt. Hoewel ik in de wetsgeschiedenis niet heb kunnen terugvinden waarom juist voor deze specifieke omschrijving is gekozen, meen ik te kunnen aannemen dan dit voortvloeit uit het gegeven dat de Franse wetgever als doel heeft om de commerciële ondernemer die zijn bedrijfsruimte (geheel of gedeeltelijk) huurt te beschermen.2 Het past bij die beschermingsgedachte om ook de huurder die enkel de ondergrond huurt te laten profiteren van die bescherming, omdat zijn belangen dezelfde zijn als die van de huurder van een gebouwde onroerende zaak.
In 1953 is in het Franse recht een uitgebreide regeling betreffende huur van bedrijfsruimte ingevoerd. In dat jaar is Décret 53-960 in werking getreden. Dit Décret voorzag in de regeling van de ‘bail commercial’, een regeling speciaal voor de huur van bedrijfsruimte. Aanvankelijk betrof dit een afzonderlijke regeling; sinds 2000 zijn de bepalingen herzien, hernummerd en opgenomen in de Code de Commerce. De regeling wordt nog met enige regelmaat herzien, waarbij bepalingen (deels) worden geschrapt, gewijzigd en/of verplaatst. De regeling van de bail commercial beslaat thans artikel L 145-1 tot en met 145-60.