Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht
Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/2.4:2.4 Conclusie
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/2.4
2.4 Conclusie
Documentgegevens:
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS452046:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
30. Het uniciteitsbeginsel houdt in dat goederenrechtelijke rechten slechts op één rechtsobject kunnen rusten, en niet op meer rechtsobjecten tezamen. In dit hoofdstuk heb ik uiteengezet dat onder de goederenrechtelijke rechten dienen te worden verstaan: het eigendomsrecht en de beperkte rechten. De objecten daarvan zijn ten eerste de objecten van het eigendomsrecht, de zaken, en ten tweede de objecten van beperkte rechten, de goederen (zaken en vermogensrechten). De objecten van goederenrechtelijke rechten bevinden zich daarmee op twee denkbeeldige niveaus. Desalniettemin zal ik vanwege het leesgemak regelmatig zonder onderscheid spreken van “rechten op goederen” en versta ik daaronder ook het eigendomsrecht op een zaak.
De vraag naar uniciteit kan zich op verschillende niveaus voordoen. Ten eerste op het niveau van eigendom en beperkte rechten en hun objecten: kunnen die rechten meer dan één object tegelijk hebben? Maar ook op het niveau van het object zelf: welke objecten worden in het goederenrecht ‘toegestaan’? Wordt de algemeenheid van goederen wel of niet als object van goederenrechtelijke rechten aangemerkt? Dat het uniciteitsbeginsel speelt op deze verschillende niveaus bleek al uit de bespreking van de goederenrechtelijke rechten en hun objecten, maar bleek daarnaast uit de bestudering van uniciteit in het Duitse en Franse recht; met name het onderzoek van Wolf bevestigde dit.1
Bij dit alles moet bedacht worden dat het spreken over rechten die ‘rusten op objecten’, slechts een verkorte wijze van spreken2 is. Deze objecten zijn niet in de werkelijkheid terug te vinden en bestaan slechts in de wereld van het recht. Vandaar ook dat het uniciteitsbeginsel geen noodzakelijkheid is. Dit wordt nog eens bevestigd door het Franse recht, waarin de algemeenheid van goederen een rechtsobject is en het uniciteitsbeginsel dus niet wordt gevolgd. In het Nederlandse en Duitse recht daarentegen wordt wel uitgegaan van uniciteit. In de Duitse rechtsliteratuur zijn hiervoor verklaringen gezocht. Een aantal van deze mogelijke verklaringen kon direct verworpen worden. De verklaring van Wolf, namelijk dat door het uniciteitsbeginsel aan de gerechtigde een afgesloten sfeer van vrije uitoefening van zijn recht wordt verzekerd en het beginsel het belang van de mogelijkheid van vrije beschikking dient, kan echter niet direct verworpen worden. De hiermee samenhangende verklaring van Grädler, dat het uniciteitsbeginsel zorgt voor duidelijkheid over het rechtsobject en daarmee voor rechtszekerheid, blijft vooralsnog ook overeind. Uit de volgende hoofdstukken zal moeten blijken of deze verklaringen stand houden.