Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.5.2:11.5.2 Standaardgeval – uitgangspunten
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.5.2
11.5.2 Standaardgeval – uitgangspunten
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598517:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een voorbeeld van een dergelijke zaak vormt Hof Den Haag 22 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3515 (Jamabel c.s./Stichting Havensteder), r.o. 14 en 82 (“De wetenschap van [betrokkene 1], de statutair bestuurder van PWS die in privé meedeelde en aldus met [appellant] c.s. tot de groep behoorde die onrechtmatig handelde jegens PWS, kan [appellant] c.s. in dit verband niet aan PWS tegenwerpen”).
Daarnaast zijn bijkomende omstandigheden nodig; zie onder meer HR 17 mei 1985, NJ 1986, 760 (Curaçao/Boyé).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
529. Wanneer een functionaris als wederpartij optreedt van de rechtspersoon, bijvoorbeeld bij het kopen van meubels of het afsluiten van een hypotheek, zal de rechtspersoon in het grootste gedeelte van de gevallen worden vertegenwoordigd door een andere functionaris: de verkoopmedewerker, de hypotheekadviseur. Dan is sprake van kennisversplintering: de functionaris-wederpartij is de wetende functionaris, de functionaris die de rechtspersoon vertegenwoordigt is de handelende functionaris. Een standaardgeval, in de betekenis die ik in dit werk hanteer, doet zich in dit verband voor wanneer een functionaris zowel namens de rechtspersoon als voor zichzelf nauw betrokken is bij de te beoordelen rechtsverhouding. Dit zal niet vaak voorkomen. Doorgaans zal het een functionaris niet zijn toegestaan om namens de rechtspersoon met zichzelf als wederpartij te handelen. Ik geef dan ook toe dat het woord ‘standaardgeval’ in deze specifieke context enige verwarring kan wekken. Hierna belicht ik eerst kennistoerekening in de verhouding tussen de functionaris en de rechtspersoon. In die verhouding is de vraag: dient de stelling van de functionaris te worden gehonoreerd dat zijn eigen kennis geldt als kennis van de wederpartij, ook indien hij die kennis niet heeft gedeeld met iemand anders binnen de rechtspersoon? Daarna komt kennistoerekening in de verhouding tussen de rechtspersoon en een derde aan bod. Ik doel dan op de situatie dat de functionaris namens de rechtspersoon is opgetreden in een transactie waarin de functionaris tevens wederpartij van de rechtspersoon was, en die transactie leidt tot een rechtsverhouding tussen de rechtspersoon en een derde (bijvoorbeeld de faillissementscurator van de functionaris) waarbinnen moet worden beoordeeld wat de rechtspersoon wist.
530. De stelling van de functionaris zélf dat zijn kennis moet worden toegerekend aan de rechtspersoon, behoort naar mijn idee in sommige situaties als uitgangspunt niet te worden gehonoreerd en in andere situaties juist wel. Dit hangt samen met de voorzienbare relevantie van de informatie.
De eerste situatie is die waarin de informatie normaal gesproken aanleiding voor de rechtspersoon zou vormen om maatregelen te treffen die negatief zijn voor de wederpartij, en waarin de wederpartij/functionaris als gevolg van zijn dubbelrol bij machte is om te voorkomen dat de rechtspersoon die maatregelen treft. In die situatie mag de wederpartij/functionaris de rechtspersoon niet tegenwerpen dat de rechtspersoon de relevante kennis bezat en zelf de gevolgen moet dragen van het nalaten van maatregelen naar aanleiding daarvan. Verkoopt de functionaris bijvoorbeeld producten aan de rechtspersoon waarvan hij weet dat die gebrekkig zijn, en treedt hij daarbij ook op namens de rechtspersoon als koper (met im- of expliciete toestemming van zijn leidinggevende), dan dient de functionaris jegens de rechtspersoon niet het verweer toe te komen dat de rechtspersoon de slechte kwaliteit van de producten kende en heeft aanvaard. Dit uitgangspunt geldt ook bij heimelijke transacties, waarbij de rechtspersoon bijvoorbeeld wordt opgelicht door de functionaris.1
De tweede situatie, waarin de kennis van de functionaris mijns inziens als uitgangspunt wel moet worden toegerekend, is die waarin de informatie op het moment van verkrijging niet voorzienbaar relevant is: de functionaris heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de rechtspersoon in verband daarmee maatregelen zou willen treffen. Hij heeft op dat moment dus ook geen aanleiding om zijn kennis te documenteren of aan collega’s door te geven. De functionaris kan in dat geval niet worden verweten dat hij feiten verzwegen heeft. Beroept de functionaris zich er later, wanneer alsnog blijkt dat de informatie in kwestie relevant is geworden voor de rechtspersoon, op dat mét hem ook de rechtspersoon die kennis had, dan komt het verweer van de rechtspersoon wel neer op een dergelijk verwijt (“nee ik wist het niet, want jij hebt die informatie destijds ten onrechte aan niemand doorgegeven”). Er kan dan reden zijn om het risico dat binnen de rechtspersoon niemand de relevante kennis (meer) had, bij de rechtspersoon te laten. Dat leidt ertoe dat de rechtspersoon jegens de functionaris een beroep op onwetendheid wordt ontzegd. Het type geval waar ik op doel, is dat van BGH 9 april 1990, dat besproken wordt bij randnummer 534 hierna.
De functionaris kan overigens wel op een later moment een plicht krijgen om de informatie aan een collega door te geven zodra hij zelf bemerkt dat die informatie relevant is geworden voor de activiteiten van die collega (welke activiteiten ook betrekking kunnen hebben op de relatie tussen de rechtspersoon en de functionaris). Maar dan ontstaat op dat moment een ‘gewone’ situatie van kennisversplintering. Dan mag van de functionaris worden verwacht dat hij op dat moment de informatie alsnog opslaat of doorleidt aan de collega’s die het aangaat. Op welke wijze in dat geval gewicht moet worden toegekend aan het feit dat de informatie deels de eigen handel en wandel van de functionaris betreft, kwam al aan de orde in par. 11.3.8 onder B (privégehalte van informatie).
531. Dan kennistoerekening in de verhouding tussen de rechtspersoon en een derde. Denk aan een partij, X, die een voorkeursrecht van koop van een schilderij heeft bedongen van de eigenaar van het schilderij voor € 10.000. De eigenaar, Y, is tevens functionaris van de rechtspersoon. Y verkoopt het schilderij voor € 15.000 aan de rechtspersoon, met toestemming van zijn leidinggevende, maar in weerwil van het (aan de leidinggevende onbekende) voorkeursrecht van X. X spreekt de rechtspersoon aan op grond van het onrechtmatig profiteren van wanprestatie. Om dit profiteren onrechtmatig te laten zijn, is ten minste vereist dat de rechtspersoon wist dat Y zou wanpresteren jegens X door het schilderij aan de rechtspersoon te verkopen.2 Hier is voor functionaris Y de voorzienbare relevantie van de kennis – en daarmee de stimulans om de informatie te verzwijgen – hoog. Voor de rechtspersoon bestaat in dit geval wat mij betreft maar zeer beperkt ruimte voor een beroep op onbekendheid met de wanprestatie. Door het de functionaris toe te staan om tegelijkertijd voor zichzelf en voor de rechtspersoon op te treden, aanvaardt de rechtspersoon een zeker risico dat de functionaris in eigen belang bepaalde feiten zal verzwijgen of er niet aan zal denken om zijn kennis aan collega’s door te geven. Dit brengt mee dat in de relatie tot een derde de kennis van de functionaris al snel zal gelden als kennis van de rechtspersoon.
Betreft het informatie waarvan de relevantie niet goed voorzienbaar was voor de functionaris op het moment van zijn transactie met de rechtspersoon en is aannemelijk dat hij niet bedoelde de informatie te verzwijgen – had functionaris Y bijvoorbeeld goede redenen om aan te nemen dat X al vóór de verkoop aan de rechtspersoon afstand had gedaan van zijn voorkeursrecht – dan zijn er eigenlijk geen bijzonderheden. Treedt Y ook in de rechtsverhouding met X op als aanspreekpunt van de rechtspersoon (is hij bij de rechtspersoon bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de kunstcollectie), dan is sprake van een ‘gewone’ standaardsituatie en geldt zijn kennis als kennis van de rechtspersoon.
532. Samengevat moeten in het standaardgeval wat mij betreft de uitgangspunten dus zijn:
Uitgangspunt in standaardgeval: toerekenen?
Toerekening in relatie rechtspersoon – functionaris
Toerekening in relatie rechtspersoon – derde
Voorzienbare relevantie van informatie hoog (aannemelijk dat functionaris informatie opzettelijk verzweeg)
Nee
Vrijwel altijd
Voorzienbare relevantie van informatie laag (niet aannemelijk dat functionaris informatie opzettelijk verzweeg)
Ja
Conform hoofdregel: ja.