De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.3.1:3.3.1 Beroepsaansprakelijkheid in de praktijk: accountants
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.3.1
3.3.1 Beroepsaansprakelijkheid in de praktijk: accountants
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS391515:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8457, NJ 2003/63 (Goedel).
HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2080, NJ 2009/528 (Vie d’Or).
HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2080, r.o. 5.3, NJ 2009/528 (Vie d’Or).
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV*, nr. 200.
Cf. Parijs 2012, p. 27.
Meer uitgebreid Blaisse 2013.
HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0690, r.o. 3.3, NJ 2003/537.
Hof Den Haag, 14 oktober 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3179, r.o. 4.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De uitspraak Goedel1 biedt een goed overzicht van de gronden waarop een accountant aansprakelijk kan worden gesteld. De accountant had een goedkeurende verklaring afgegeven over de waarde van de inbreng op aandelen bij de oprichting van een vennootschap. De waarde van de inbreng bleek een stuk lager dan volgens de goedkeurende verklaring. De vennootschap ging failliet en de curator sprak de accountant aan op grond van wanprestatie en onrechtmatig handelen jegens de vennootschap en jegens de crediteuren in faillissement. De accountant werd (overigens zonder vermelding van een expliciete grondslag) veroordeeld tot betaling van het verschil tussen het in de verklaring vermelde bedrag en het bedrag dat daadwerkelijk was ingebracht, mede gezien de waarborgfunctie van de accountantsverklaring voor zowel aandeelhouders als derden.
De normen op grond waarvan een accountant aansprakelijk kan worden gesteld jegens derden op grond van onrechtmatige daad zijn door de Hoge Raad uiteengezet in de uitspraak Vie d’Or.2 Deze zaak betrof een collectieve actie in het kader van het faillissement van levensverzekeraar Vie d’Or, waarin de Stichting Vie d’Or – die de belangen van de voormalig polishouders behartigde – onder meer een verklaring voor recht vorderde dat de accountants onrechtmatig hadden gehandeld. Deze accountants hadden goedkeurende verklaringen afgegeven met betrekking tot jaarrekeningen van Vie d’Or, terwijl de administratie en interne organisatie van Vie d’Or over die jaren niet op orde was. De Hoge Raad bepaalde dat voor de vaststelling van zulk onrechtmatig handelen de vraag relevant is ‘wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam controlerend accountant in het kader van een zorgvuldige taakuitoefening mag worden gevergd met het oog op de belangen van derden.’3
Hoewel deze uitspraak onrechtmatig handelen jegens derden betrof, is de inhoud van deze zorgplicht gelijk aan die van artikel 7:401 BW.4 Met betrekking tot de inhoud van deze zorgplicht is het van belang dat de accountant een publiek belang dient; derde partijen gaan er in het maatschappelijk verkeer immers van uit dat de door de accountant goedgekeurde financiële cijfers een getrouw beeld geven van de werkelijkheid en stemmen hun handelen hierop af.5 Door de Hoge Raad genoemde factoren die een rol (kunnen) spelen bij de invulling van de zorgvuldigheidsnorm zijn (i) of de verslaggevingsvoorschriften zijn nageleefd; (ii) of de accountant in overeenstemming met voor de beroepsgroep geldende normen en standaarden heeft gehandeld; (iii) de aard en de ernst van de door de accountant geschonden norm; (iv) door de accountant in de uitoefening van diens taak getroffen maatregelen en verschafte informatie ter voorkoming van schade; en (v) de voorzienbaarheid van de schade die ten gevolge van de normschending is ontstaan.6 Een door de tuchtrechter in dit kader gegeven oordeel kan, zoals reeds eerder in dit hoofdstuk aan de orde kwam, bij de beoordeling van eventuele onrechtmatigheid een rol spelen, maar is op zichzelf staand niet van doorslaggevend belang.7
Onder omstandigheden kan van een accountant worden verwacht dat hij handelingen verricht ten behoeve van een cliënt omdat hij had moeten begrijpen dat deze van hem werden verwacht. Een accountant die had nagelaten beroep aan te tekenen tegen een vordering tot teruggave van te veel betaalde nabestaandenuitkering werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld op grond van toerekenbare tekortkoming wegens schending van de hierboven genoemde zorgvuldigheidsnorm.8 Hoewel indienen van bezwaar niet expliciet aan hem was verzocht, had de accountant zijn cliënt bericht dat de vordering tot teruggave volgens hem op een onjuiste motivatie berustte, en dat hij de verdere correspondentie met de vorderende partij via zijn kantoor zou laten lopen zodat hij tijdig zou kunnen reageren. Op basis hiervan had de accountant dienen te begrijpen dat zijn cliënt niet zelf zou handelen.