De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/4.7:4.7 Conclusie
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/4.7
4.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS386780:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is getracht een antwoord te vinden op de vraag welke rechtsvorm fiscaal gezien optimaal is voor de samenwerking tussen beroepsbeoefenaren. Om tot dit antwoord te komen, is een korte beschrijving gegeven van de verschillende fiscale regels die in dit kader van belang zijn. Uit deze beschrijving komt naar voren dat er geen eenduidig antwoord te geven is op deze vraag. Het antwoord is namelijk in grote mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de specifieke wensen die beroepsbeoefenaren hebben. De toepasbare fiscale faciliteiten, het salarisniveau dat beroepsbeoefenaren voor zichzelf willen hanteren, de gewenste pensioenopbouw en de hoogte van de winst zijn onder meer variabelen die een rol spelen. Op grond van laatstgenoemde variabelen kan er echter wel in het algemeen een uitspraak worden gedaan over de aantrekkelijkheid van de verschillende rechtsvormen. Tot een winst van 150.000 euro is het voor de beroepsbeoefenaar vanuit fiscaal oogpunt in de meeste gevallen voordeliger om zijn onderneming te drijven in de (fiscaal transparante) maatschap. Vanaf een winst van 150.000 euro wordt het voor de beroepsbeoefenaar vanuit fiscaal oogpunt voordeliger om zijn onderneming te drijven in een rechtspersoon. Het zogenoemde omslagpunt (in aantrekkelijkheid) ligt rond een winst van 150.000 euro.
De voorkeur voor een bepaalde rechtsvorm is dus, kort gezegd, grotendeels afhankelijk van de hoogte van de winst. Voor kleine samenwerkingsverbanden, waarbij de winst gering is, zal derhalve de maatschap, fiscaal gezien, in de meeste gevallen de voorkeur genieten. Bij grote(re) samenwerkingsvormen waarbij meer dan 150.000 euro winst per vennoot wordt gemaakt, zal een voorkeur bestaan voor een rechtsvorm die onderworpen is aan het belastingregime van de Wet Vpb (in het kader van dit onderzoek de BV, de NV en de coöperatie).
Voor samenwerkingsverbanden van meer dan twintig beroepsbeoefenaren die, op basis van de hoogte van hun winst, een dergelijke keuze maken, geldt bovendien dat de coöperatie, vanwege de deelnemingsvrijstelling, fiscaal gezien, voor hen de gunstigste rechtsvorm is.