Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.12.9
9.12.9 Samenhang tussen activiteit van wetende en handelende functionaris
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS596150:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Lennarts 2002, p. 60-61.
Klaassen 1999, p. 97-98.
Vgl. Hof Den Haag 18 maart 2014, JOR 2014/136, r.o. 54: “Naar de Bank zelf stelt, werkten bij haar Hilversumse kantoor ongeveer tien medewerkers; het ligt voor de hand dat de medewerkers binnen het kantoor elkaar kennen en regelmatig contact hebben.”
Rb Rotterdam 1 december 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BP1254, i.h.b. r.o. 4.7.1. In hoger beroep lijkt de toerekening van de wetenschap van de dienst Stadstoezicht geen rol van betekenis meer te hebben gespeeld, hoewel in r.o. 22 van het tussenarrest van het Hof Den Haag van 14 januari 2014 (NJF 2014/169) een impliciete verwerping van het oordeel van de rechtbank gelezen zou kunnen worden. Het eindarrest is eveneens gepubliceerd: Hof Den Haag 30 september 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3029.
392. Hoe groter de samenhang tussen de activiteiten van de wetende en de handelende functionaris, hoe eerder het zal zijn toegestaan om hun beider kennis ‘op te tellen’. Volgens Lennarts ligt toerekening voor de hand indien de wetende en de handelende functionaris op dezelfde afdeling werken.1 Volgens Klaassen mag de cliënt van een groot advocatenkantoor er in principe van uitgaan dat informatie die hij in verband met een beursintroductie heeft verstrekt aan een van de advocaten uit een team van meerdere specialisten van verschillende afdelingen die zich met de beursintroductie bezighouden, binnen dat hele team bekend is.2
Van functionarissen op dezelfde afdeling zal al snel worden verwacht dat die geregeld onderling overleggen en toegang hebben tot elkaars gegevens. Ook hier bestaat samenhang met de organisatieplicht: van een goed functionerende organisatie mag worden verwacht dat die dit stimuleert. Overigens zal het mede van de omvang van de afdeling afhangen in welke mate van detail afdelingsgenoten van elkaars activiteiten op de hoogte mogen worden geacht.3 Niettemin zal van functionarissen op dezelfde afdeling meer inzicht worden verwacht in de relevantie van hun kennis voor collega’s. De drempel om kennis te delen en zich met elkaars zaken te bemoeien is daar ook lager dan bij functionarissen van verschillende afdelingen. Dit geldt ook, hoewel in mindere mate, voor afdelingen die structureel samenwerken (bijvoorbeeld de verkoop- en de marketingafdeling) of die structureel elkaars gegevens gebruiken (zoals de in- en verkoopafdeling in het Duitse Pkw-arrest). Uiteraard geldt het ook voor individuen die samenwerken, hetzij structureel, hetzij in de zaak naar aanleiding waarvan het geschil tussen de rechtspersoon en de wederpartij is ontstaan. Het BGH nam de samenhang tussen de activiteiten vermoedelijk in acht toen het in Kanadischen Betrug en Borgstelling oordeelde dat het delen van kennis “voor de hand liggend” was.4 In het eerste geval verzorgde het bankfiliaal zowel de financiering van de verkoper als die van de koper. In Borgstelling ging het om een borgtocht door dezelfde borg in dezelfde rechtsrelatie met de bank. De Hoge Raad noemde in Rabobank Gorredijk het feit dat Rabobank ervoor had gekozen om zowel bank- als assurantiebemiddelingsdiensten aan te bieden, als reden om van Rabobank te eisen dat informatie die binnenkwam bij de bancaire afdeling, maar die naar haar aard mede van belang was voor het assurantiebemiddelingsbedrijf, aan laatstgenoemde werd doorgezonden. Ik kan mij voorstellen dat de Hoge Raad niet dezelfde doorgifte van informatie aan de assurantiebemiddelingsafdeling zou hebben geëist indien de heer Van Dam niet een klant was geweest van de bancaire afdeling, maar een leverancier van Rabobank, en de inkoopafdeling een bericht zou hebben ontvangen over zijn dood.
Functioneren diverse afdelingen of diensten duidelijk gescheiden van elkaar, dan kan dat een aanleiding zijn om kennis bij de ene afdeling niet op te tellen bij die van de andere. Een voorbeeld daarvan is een vonnis van de Rechtbank Rotterdam in een geschil tussen Q-Park en de gemeente Rotterdam.5 Q-Park kocht een parkeergarage van de gemeente Rotterdam. De onderhandelingen over de koopovereenkomst werden gevoerd door het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR), een dienst van de gemeente. Q-Park was naar eigen zeggen bij het sluiten van de overeenkomst uitgegaan van bepaalde verwachtingen omtrent het toekomstige parkeerbeleid van de gemeente in de omgeving van de garage. Die verwachtingen bleken onjuist. Volgens Q-Park had de gemeente op dit vlak een mededelingsplicht verzaakt. Het parkeerbeleid en de handhaving daarvan waren binnen de gemeente echter geen taken van het OBR, maar van de dienst Stadstoezicht. Volgens de rechtbank schond de gemeente geen mededelingsplicht. De dienst Stadstoezicht heeft een bepaalde mate van zelfstandigheid bij de uitvoering van zijn taken. In het kader van de totstandkoming van de koopovereenkomst kan de bij de dienst Stadstoezicht bestaande kennis niet worden toegerekend aan het OBR op de enkele grond dat dit beide diensten van de gemeente Rotterdam zijn, aldus de rechtbank. Mogelijk speelde voor de rechtbank een rol dat een gemeente een publiekrechtelijke organisatie is.