De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.4.4:3.4.4.4 Aansprakelijkheid bij de coöperatie: bestuurders
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.4.4
3.4.4.4 Aansprakelijkheid bij de coöperatie: bestuurders
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS390343:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:40 lid 1 BW.
Asser/Rensen 2–III*, nr. 226.
Zie voor de inhoudelijke bespreking van deze aansprakelijkheid paragraaf 3.4.3.4.
Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 218.
In het Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen is overigens in art. 2:9c een regeling opgenomen over bestuurdersaansprakelijkheid die geldt voor alle rechtspersonen. Wanneer dit wetsvoorstel in werking treedt, zal voor de coöperatie dus geen schakelbepaling meer nodig zijn. Kamerstukken II 2015/16, 34491, nr. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten aanzien van de bestuurdersaansprakelijkheid bij de coöperatie geldt ook dat deze in hoofdlijnen gelijk is aan de bestuurdersaansprakelijkheid bij de kapitaalvennootschappen. Al deze rechtsvormen zijn immers rechtspersonen en derhalve onderworpen aan het dwingendrechtelijk regime van Boek 2 BW. Nu de coöperatie een bijzondere vorm is van een vereniging, en daarmee geen vennootschap, is er wel een aantal bijzonderheden ten opzichte van de bestuurdersaansprakelijkheid bij de kapitaalvennootschappen zoals besproken in paragraaf 3.4.3.4. Deze bijzonderheden zullen hieronder worden besproken. Voor zover er geen bijzonderheden zijn, wordt voor een beschrijving van de bestuurdersaansprakelijkheid steeds verwezen naar de in de vorige zin genoemde paragraaf.
Artikel 2:105/216 BW
De coöperatie mag, anders dan de gewone vereniging, winst verdelen onder haar leden. Zie artikel 2:53a BW waarin de toepasselijkheid van artikel 2:26 lid 3 BW wordt uitgesloten. Voor zover de statuten geen regeling bevatten, is de algemene vergadering bevoegd tot bestemming van de winst.1 De wet bevat geen enkele regel van kapitaalbescherming van de coöperatie en ook geen regeling over de aansprakelijkheid van bestuurders voor (winst)uitkeringen. Rensen schrijft hierover:
‘De wet kent, behalve art. 2:58 lid 4 BW (ten laste van een wettelijke reserve mag geen verlies worden gedelgd), geen enkele regel van kapitaalbescherming voor de coöperatie. Van een voorgeschreven gebonden vermogen, zoals bij de NV/BV (art. 2:105/216 BW), is geen sprake. Hieruit mag echter niet worden afgeleid dat er volledige vrijheid is voor de coöperatie bij het doen van uitkeringen aan leden. Ik zou menen dat de jurisprudentie inzake aansprakelijkheid van bestuurders en aandeelhouders van NV/BV’s ook betekenis heeft voor bestuurders en leden van een coöperatie. Kort gezegd, komt het er dan op neer dat zowel het nemen van een besluit tot uitkering als de uitvoering daarvan onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn tegenover crediteuren van de coöperatie. Vgl. HR 8 november 1991, NJ 1992/174 (Nimox); HR 6 februari 2004, JOR 2004/67 (Reinders Didam) en Rb. Rotterdam 15 april 1999, JOR 1999/168 (Berger q.q./Molenaar).’2
Rensen gaat dus uit van analogische toepassing van de jurisprudentie over ((bestuurders) aansprakelijkheid bij) de kapitaalvennootschappen op bestuurders en leden van de coöperatie.3 Ook voor hen geldt dat zij in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid (kunnen) handelen wanneer ze een uitkering toelaten terwijl dit ten koste gaat van schuldeisers.
Artikel 2:138/248 BW
Hoewel deze artikelen in de specifieke afdelingen ten aanzien van de NV en de BV staan, geldt op grond van de schakelbepaling van artikel 2:50a jo. 2:53a BW dat bestuurders van een coöperatie aansprakelijk zijn voor kennelijk onbehoorlijke taakvervulling die heeft geleid tot faillissement. Voorwaarde hiervoor is wel dat de coöperatie aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen (artikel 2:50a BW). Nu de coöperatie, zoals besproken, een onderneming drijft, wordt aan deze voorwaarde voldaan.4 Bestuurders van de coöperatie dienen dus rekening te houden met het aansprakelijkheidsregime voortvloeiende uit artikel 2:138/248 BW.5 Zie voor een uitgebreide bespreking hiervan paragraaf 3.4.3.4.