De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.4.1:3.4.4.1 De coöperatie en gebruik in het beroep
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.4.1
3.4.4.1 De coöperatie en gebruik in het beroep
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS385541:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze vorm van de coöperatie lijkt sterk op de kostenmaatschap, zie Kok & Swaters 2007.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals gezegd, kan als een samenwerkingsverband van beroepsbeoefenaren wordt ondergebracht in de rechtsvorm van de coöperatie, deze rechtsvorm de volgende twee vormen aannemen:
alleen de coöperatie drijft een onderneming, de leden (beroepsbeoefenaren) niet;
zowel de leden (beroepsbeoefenaren) als de coöperatie drijven ieder een onderneming.
De eerste situatie doet zich voor als bijvoorbeeld een aantal advocaten besluit om samen een groepspraktijk te starten en daartoe een coöperatie op te richten. De coöperatie exploiteert dan de groepspraktijk, de advocaten verrichten arbeid ten behoeve van de coöperatie op basis van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst tot het verrichten van diensten. De coöperatie stelt zich in dit geval ten doel om door middel van haar economische activiteiten werk te verschaffen aan haar leden. Een dergelijke coöperatie wordt ook wel een werknemersproductiecoöperatie of eigenaarscoöperatie genoemd.
Een voorbeeld van de tweede situatie is dat verschillende advocaten een eigen praktijk hebben en besluiten een coöperatie op te richten om bepaalde activiteiten te verrichten. De coöperatie verleent in dit geval diensten op bijvoorbeeld het gebied van administratie, huisvesting, ondersteuning en dergelijke. De advocaten houden hun eigen praktijk en daarmee hun eigen onderneming.1
Beroepsbeoefenaren die gebruikmaken van een coöperatie kunnen er, net als bij de kapitaalvennootschappen, voor kiezen om geen bestuurder van de rechtsvorm te worden maar ‘slechts’ lid te zijn. Op die manier omzeilen zij de bestuurdersaansprakelijkheid die ook bij de coöperatie een rol speelt (zie paragraaf 3.4.4.4). Deze keuze dient dan overigens wel in de statuten van de coöperatie te worden vastgelegd: de hoofdregel is namelijk dat het bestuur van de coöperatie uit de leden wordt benoemd (en de leden zullen altijd de beroepsbeoefenaren of hun praktijkvennootschappen zijn). De statuten kunnen echter bepalen dat de bestuurders ook buiten de leden kunnen worden benoemd.2