Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.5.4:11.5.4 Kennisversplintering – uitgangspunt en nuancering
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.5.4
11.5.4 Kennisversplintering – uitgangspunt en nuancering
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS600782:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de organisatieplicht als voornaamste beoordelingskader voor gevallen van kennisversplintering par. 9.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
536. In gevallen van kennisversplintering, dus gevallen waarin de wetende functionaris niet tevens namens de rechtspersoon betrokken was bij de rechtsverhouding tussen hemzelf en de rechtspersoon, ligt het eenvoudiger dan in het standaardgeval. Uitgangspunt zou naar mijn mening moeten zijn dat de kennis van de functionaris niet wordt toegerekend aan de rechtspersoon. De functionaris heeft als wederpartij in beginsel geen verdergaande mededelingsplicht jegens de rechtspersoon dan andere wederpartijen. Omdat hij niet handelt in zijn hoedanigheid van functionaris van de rechtspersoon, heeft hij bij dat handelen in beginsel niet de plicht tot opslag en doorgifte van informatie die een wetende functionaris normaal gesproken heeft in situaties van kennisversplintering. Indien de functionaris in zijn hoedanigheid van wederpartij een mededelingsplicht schendt (en dus relevante feiten verzwijgt), kan dat de rechtspersoon niet worden aangerekend. De rechtspersoon heeft geen zeggenschap over het gedrag van de functionaris in zijn hoedanigheid als wederpartij. Het risico dat de functionaris dergelijke kennis niet doorgeeft aan collega’s binnen de rechtspersoon voor wie die kennis relevant is, is voor de rechtspersoon bijzonder moeilijk te beheersen, mede omdat de functionaris er zelf belang bij kan hebben dat de informatie in kwestie niet bij collega’s belandt. Er zijn moeilijk organisatorische maatregelen denkbaar die de rechtspersoon zou kunnen treffen om te voorkomen dat deze kennis bij de wetende functionaris blijft ‘hangen’. Soms zal de rechtspersoon zelfs niet weten en ook niet hoeven te weten dat de klant in kwestie tevens functionaris van de rechtspersoon is (denk aan de eerder genoemde administratief medewerkster bij het hoofdkantoor van een meubelketen die bij een van de vestigingen een stoel koopt). Kortom: het feit dat de handelende functionaris de relevante informatie niet van de wetende functionaris heeft gekregen, zal niet vaak het gevolg zijn van een schending van de organisatieplicht door de rechtspersoon en valt in beginsel niet in diens risicosfeer.1 Dit betekent dat in beginsel noch een derde, noch de functionaris zelf zich erop mag beroepen dat mét de functionaris ook de rechtspersoon het relevante feit kende.
Ook hier weer kunnen de omstandigheden van het geval nopen tot een uitzondering op het uitgangspunt. Daarvoor zie ik in het bijzonder plaats in vertrouwensgevallen. Heeft de functionaris ervoor gekozen geen mededeling van het relevante feit te doen aan zijn collega (de namens de rechtspersoon handelende functionaris) omdat hij er op grond van zijn kennis van de interne organisatie of kennissystemen van de rechtspersoon van mocht uitgaan dat die collega het feit in kwestie al kende, dan kan er aanleiding zijn om de kennis van de functionaris toch aan de rechtspersoon toe te rekenen.