Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.11.3.1.1
III.11.3.1.1 Limitatieve opsomming van intrekkingsgronden?
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS378951:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Den Ouden, Jacobs en Verheij 2011, p. 132, T&C Awb 2013, art. 4:48 aant. 1a en art. 4:49 aant. 1 en Verheij en Lubberdink 1996, p. 58.
Vgl. ABRvS 23 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2502.
Een beschikking tot subsidieverlening kan wel onder voorwaarden worden gegeven.Zie hierover Den Ouden, Jacobs en Verheij 2011, p. 63-64.
ABRvS 30 augustus 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY7173.
ABRvS 2 augustus 2006, AB 2007/96 m.nt. Barkhuysen en Den Ouden. Zie ook ABRvS 23 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM8818 en ABRvS 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010: BN1145. In laatstgenoemde uitspraak overweegt de Afdeling daarnaast nog dat nu subsidieverplichtingen niet waren nageleefd, er sprake was van misbruik en nalatigheid als bedoeld in art. 23 lid 1 van de Coördinatieverordening, waardoor er een plicht ontstaat om tot wijziging van de subsidievaststelling over te gaan. Het lijkt alsof de Afdeling toch niet helemaal zeker is van haar zaak.Een en ander is in lijn met de jurisprudentie die (in meer algemene zin) zegt dat bezwaren tegen het besluit tot subsidieverlening niet meer aan de orde kunnen komen in een procedure m.b.t. het besluit tot subsidievaststelling. Vgl. ABRvS 13 juni 1996, AB 1997/2 m.nt. Verheij onder nr. 3, ABRvS 19 augustus 1996, AB 1997/3 m.nt. Verheij en ABRvS 20 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9890.
In afdeling 4.2.6 Awb is een uitgebreide regeling inzake de intrekking van beschikkingen neergelegd. Een vraag die kan worden gesteld is of deze regeling een limitatief karakter heeft. De tekst van de betreffende bepalingen biedt op het eerste gezicht geen uitkomst. Niet is bepaald dat subsidiebeschikkingen slechts kunnen worden ingetrokken op de daar genoemde gronden. In de nota naar aanleiding van het verslag is ten aanzien van art. 4:35 Awb echter opgemerkt dat de daar genoemde gronden uitdrukkelijk niet limitatief zijn bedoeld. In dat kader wordt gewezen op de tekst van genoemd artikel, waarin is bepaald op welke gronden de aanvraag om subsidieverlening in ieder geval (curs. BdK) kan worden geweigerd. Nu deze zinsnede in geen van de intrekkingsbepalingen is opgenomen, zou a contrario kunnen worden betoogd dat de daar genoemde opsomming van intrekkingsgronden limitatief is bedoeld. Een en ander wordt versterkt doordat in art. 4:50 lid 1 onder c Awb is bepaald dat de subsidieverlening ex nunc kan worden ingetrokken in ‘andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen’. In genoemde bepaling is dus uitdrukkelijk de mogelijkheid opengehouden dat in een bijzondere subsidieregeling intrekkingsgronden worden opgenomen welke een aanvulling vormen op de daar genoemde gronden. De intrekkingsgronden zoals neergelegd in de artikelen 4:48 en 4:49 Awb lijken dus limitatief te zijn.1 Een en ander vindt steun in de jurisprudentie.2 Voor intrekking op basis van andere gronden bestaat aldus, tenzij in het geval van art. 4:50 lid 1 onder c Awb, geen ruimte.
Opvallend in dit kader is het volgende. Soms wordt door bestuursorganen gepoogd de gronden op basis waarvan een besluit tot subsidievaststelling kan worden ingetrokken ten opzichte van art. 4:49 Awb uit te breiden door de subsidie vast te stellen onder een ontbindende voorwaarde. Veelal heeft die voorwaarde de vorm van een voorbehoud, inhoudende dat wanneer uit controle blijkt dat de vaststelling toch onjuist was, deze alsnog kan worden ingetrokken. In een uitspraak van 30 augustus 2006 heeft de Afdeling met betrekking tot dergelijke voorwaarden overwogen dat het voorwaardelijk vaststellen van subsidies zich niet verdraagt met het systeem van de subsidietitel in de Awb.3 Van belang daarbij is onder meer dat de subsidievaststelling op grond van art. 4:49 Awb slechts in een beperkt aantal gevallen kan worden ingetrokken, gelet op het feit dat met de vaststelling een definitieve aanspraak op financiële middelen wordt gevestigd. Een voorbehoud verbonden aan de vaststelling verdraagt zich hier niet mee. Daarom kon het voorbehoud niet dienen als grondslag om tot intrekking over te gaan.4 Een poging om de gronden op basis waarvan de subsidievaststelling kan worden ingetrokken uit te breiden, slaagt dus niet. Een en ander onderstreept het hiervoor gestelde, inhoudende dat de intrekkingsgronden neergelegd in de Awb, een limitatief karakter dragen. Een uitzondering geldt voor de situatie waarin het voorbehoud tot intrekking door de geadresseerde niet wordt aangevochten. De subsidiebeschikking met daaraan verbonden het voorbehoud verkrijgt dan formele rechtskracht en kan daarom wel als basis voor intrekking dienen.5