Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.2.2.2
III.5.2.2.2 In de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS451979:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder andere EHRM (GK) 1 juni 2010, NJ 2010, 628, m.nt. YB (Gäfgen vs. Duitsland) en EHRM 15 maart 2011, appl. no. 2034/07 (Otegi Mondragon vs. Spanje) en EHRM 24 juli 2012, appl. no. 42418/10 (D.J. vs. Kroatië) en EHRM 9 juli 2013, appl. no. 33860/04 (Bozdemir & Yeselimen vs. Turkije).
Onder anderen EHRM (GK) 10 april 2007, appl. no. 6339/05, r.o. 89 (Evans vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 5 juli 2011, appl. no. 41588/05, r.o. 36 (Avram en anderen vs. Republiek Moldavië).
EHRM (GK) 13 december 2012, appl. no. 39630/09 (El-Masri vs. de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië (FYROM)) en EHRM (GK) 9 juli 2013, appl. no. 66069/ 09 (Vinter en anderen vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 8 juli 2014, appl. no. 15018/11 & 61199/12, r.o. 244 (Harakchiev & Tolumov vs. Bulgarije) en EHRM (GK) 17 juli 2014, appl. no. 32541/08 & 43441/08, r.o. 118 (Svinarenko & Slyadnev vs. Rusland). Zie ook C. McCrudden, ‘Human Dignity and Judicial Interpretation of Human Rights’, EJIL 2008, 4, p. 683.
EHRM (GK) 11 juli 2002, appl. no. 25680/94, r.o. 70 (I. vs. het Verenigd Koninkrijk). Zie ook EHRM 10 juni 2010, appl. no. 302/02, r.o. 135 (Jehova’s getuigen Moskou vs. Rusland) en EHRM (GK) 9 juli 2013, appl. no. 66069/09, r.o. 113 (Vinter en anderen vs. het Verenigd Koninkrijk). Vgl. EHRM (GK) 17 juli 2014, appl. nos. 32541/08 & 43441/08, r.o. 118 (Svinarenko & Slyadnev vs. Rusland), waarin het EHRM overweegt dat ‘[r]espect for human dignity forms part of the very essence of the Convention’.
EHRM (GK) 13 december 2012, appl. no. 39630/09, r.o. 248 (El-Masri vs. de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië (FYROM)). Zie ook EHRM 24 juli 2014, appl. no. 28761/11, r.o. 538 (Al Nashiri vs. Polen) en EHRM 24 juli 2014, appl. no. 7511/13, r.o. 532 (Abu Zubaydah vs. Polen).
Zie onder andere EHRM 22 december 2008, appl. no. 46468/06 (Aleksanyan vs. Rusland) en EHRM 8 januari 2013, appl. no. 56027/10 (Reshetnyak vs. Rusland) en EHRM 30 april 2013, appl. no. 49872 (Tymoshenko vs. Oekraïne) en EHRM 25 juni 2013, appl. no. 6087/03 (Grimailovs vs. Letland) en EHRM 30 juli 2013, appl. no. 14609/10 (Mircea Dumitrescu vs. Roemenië) en EHRM 24 september 2013, appl. no. 29343/10 (Epistatu vs. Roemenië) en EHRM 15 oktober 2013, appl. no. 39584/07 (Segheti vs. Republiek Moldavië) en EHRM 17 oktober 2013, appl. no. 9967/06 (Vladimir Belyayev vs. Rusland) en EHRM 24 oktober 2013, appl. no. 5288/08 (Lapshov vs. Rusland) en EHRM 31 oktober 2013, appl. no. 46282/07 (Grossman vs. Rusland). Zie ook J. de Lange, Detentie genormeerd: Een onderzoek naar de betekenis van het CPT voor de inrichting van vrijheidsbeneming in Nederland (diss. Rotterdam), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2008, p. 85-98 en M. Hagens, Toezicht op menswaardige behandeling van gedetineerden in Europa. Een onderzoek naar de verhouding tussen het EHRM en het CPT bij de effectuering van het folterverbod (diss. Leiden), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011.
Zie onder andere EHRM 23 juli 2013, appl. no. 6343/11 (Gorea vs. Republiek Moldavië) en EHRM 3 oktober 2013 appl. no. 47137/07 (Tahirova vs. Azerbaidjan).
Zie onder andere EHRM 3 mei 2012, appl. no. 23880/05 (Salikhov vs. Rusland) en EHRM 18 oktober 2012, appl. no. 37679/08 (Bures vs. Tsjechische Republiek) en EHRM 25 juli 2013, appl. no. 32133/11 (Kummer vs. Tsjechische Republiek).
Zie onder andere EHRM 12 juni 2012, appl. no. 29518/10 (N.B. vs. Slowakije) en EHRM 13 november 2012, appl. no. 15966/04 (I.G. en anderen vs. Slowakije).
Zie voor een overzicht van rechtspraak op dit terrein EHRM 7 juli 2011, appl. no. 39229/03, r.o. 60 (Fyodorov & Fyodorova vs. Oekraïne). Zie verder EHRM 15 november 2001, appl. no. 25196/04 (Iwanczuk vs. Polen) en EHRM 26 september 2006, appl. no. 12350/04 (Wainwright vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 17 april 2013, appl. no. 13621/08 (Horych vs. Polen).
EHRM (GK) 11 juli 2002, appl. no. 28957/95 (Christine Goodwin vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 10 april 2007, appl. no. 6339/05 (Evans vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 5 juli 2011, appl. no. 41588/05 (Avram en anderen vs. Republiek Moldavië) en EHRM 13 november 2012, appl. no. 37359/09 (H. vs. Finland).
Zie onder andere EHRM 26 juli 2011, appl. no. 9718/03, r.o. 49 (Georgel & Georgeta Stoicescu vs. Roemenië) en EHRM 24 juli 2012, appl. no. 41526/10, r.o. 152 (Dordevic vs. Kroatië).
EHRM 8 juli 2004, appl. no. 53924/00, r.o. 84 (Vo vs. Frankrijk). Zie ook P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Her(er)kenning van de verdachte als individu: Over “menselijke waardigheid” als bruikbare notie’, in: A.M. van Kalmthout, T. Kooijmans & H. Moors (ed.), Mensbeeld, beeldvorming en mensenrechten, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 81.
EHRM (GK) 6 juli 2005, appl. no. 43577/98 (Nachova en anderen vs. Bulgarije) en EHRM 2 oktober 2012, appl. no. 40094/05 (Virabyan vs. Armenië).
EHRM 27 oktober 1995, appl. no. 20190/92 (C.R. vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 22 november 1995, appl. no. 20166/92 (S.R. vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 7 januari 2010, appl. no. 25965/04 (Rantsev vs. Cyprus & Rusland) en EHRM 2 oktober 2012, appl. no. 40094/05 (Virabyan vs. Armenië). Zie ook P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Her(er)kenning van de verdachte als individu: Over “menselijke waardigheid” als bruikbare notie’, in: A.M. van Kalmthout, T. Kooijmans & H. Moors (ed.), Mensbeeld, beeldvorming en mensenrechten, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 81.
EHRM 5 februari 2009, appl. no. 22330/05 (Olujic vs. Kroatië) en EHRM 30 juli 2009, appl. no. 20292/04 (Ananyev vs. Rusland).
EHRM 29 maart 1989, appl. no. 11118/84, r.o. 48 (Bock vs. Duitsland).
Zie onder andere EHRM 15 oktober 2013, appl. no. 39584/07, r.o. 30 (Segheti vs. Republiek Moldavië). Zie ook EHRM 24 september 2013, appl. no. 29343/10, r.o. 48 (Epistatu vs. Roemenië) en EHRM 24 oktober 2013, appl. no. 5288/08, r.o. 19 (Lapshov vs. Rusland) en EHRM 31 oktober 2013, appl. no. 46282/07, r.o. 56 (Grossman vs. Rusland). Zie verder P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Her(er)kenning van de verdachte als individu: Over “menselijke waardigheid” als bruikbare notie’, in: A.M. van Kalmthout, T. Kooijmans & H. Moors (ed.), Mensbeeld, beeldvorming en mensenrechten, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 80.
EHRM 25 juni 2013, appl. no. 6087/03, r.o. 159-161 (Grimailovs vs. Letland) en EHRM 30 juli 2013, appl. no. 14609/10, r.o. 64 (Mircea Dumitrescu vs. Roemenië).
EHRM 8 januari 2013, appl. no. 56027/10, r.o. 85 (Reshetnyak vs. Rusland) en EHRM 30 april 2013, appl. no. 49872, r.o. 211 (Tymoshenko vs. Oekraïne).
EHRM 24 september 2013, appl. no. 29343/10, r.o. 49-50 (Epistatu vs. Roemenië) en EHRM 31 oktober 2013, appl. no. 46282/07 (Grossman vs. Rusland).
EHRM 24 oktober 2013, appl. no. 5288/08 (Lapshov vs. Rusland).
EHRM 15 oktober 2013, appl. no. 39584/07, r.o. 31 (Segheti vs. Republiek Moldavië).
EHRM 15 oktober 2013, appl. no. 39584/07, r.o. 31 (Segheti vs. Republiek Moldavië).
EHRM 22 december 2008, appl. no. 46468/06, r.o. 140 (Alexsanyan vs. Rusland) en EHRM 22 november 2011, appl. no. 35254/07, r.o. 77 (Makharadze & Sikharulidze vs. Georgië) en EHRM 9 januari 2014, appl. no. 49071/11, r.o. 65 (Gorelov vs. Rusland).
EHRM 17 oktober 2013, appl. no. 9967/06, r.o. 30 (Vladimir Belyayev vs. Rusland) en EHRM 12 maart 2015, appl. no. 7334/13, r.o. 53 (Mursic vs. Kroatië).
EHRM 28 oktober 2014, appl. no. 47603/10, r.o. 34 (Tirean vs. Roemenië).
EHRM 12 juli 2007, appl. no. 20877/04, r.o. 58 (Testa vs. Kroatië).
EHRM (GK) 6 april 2000, appl. no. 26772\95, r.o. 120 (Labita vs. Italië) en EHRM 3 mei 2012, appl. no. 23880/05 (Salikhov vs. Rusland) en EHRM 18 oktober 2012, appl. no. 37679/08 (Bures vs. Tsjechische Republiek) en EHRM 25 juli 2013, appl. no. 32133/11 (Kummer vs. Tsjechische Republiek) en EHRM 16 december 2014, appl. no. 57123\08, r.o. 58 (Dimcho Dimov vs. Bulgarije).
EHRM 23 juli 2013, appl. no. 6343/11 (Gorea vs. Republiek Moldavië).
EHRM 3 oktober 2013 appl. no. 47137/07 (Tahirova vs. Azerbaidjan).
EHRM 25 juli 2013, appl. no. 32133/11, r.o. 66 e.v. (Kummer vs. Tsjechische Republiek).
EHRM 25 juli 2013, appl. no. 32133/11, r.o. 69 (Kummer vs. Tsjechische Republiek).
Zie onder andere EHRM 12 juni 2012, appl. no. 29518/10 (N.B. vs. Slowakije) en EHRM 13 november 2012, appl. no. 15966/04 (I.G. en anderen vs. Slowakije).
EHRM 13 november 2012, appl. no. 15966/04, r.o. 122 (I.G. en anderen vs. Slowakije).
EHRM 7 juli 2011, appl. no. 39229/03, r.o. 60 (Fyodorov & Fyodorova vs. Oekraïne).
Zie daarover in het bijzonder EHRM (GK) 17 juli 2014, appl. no. 32541/08 & 43441/08 (Svinarenko & Slyadnev vs. Rusland), in r.o. 138: ‘Regardless of the concrete circumstances in the present case, the Court reiterates that the very essence of the Convention is respect for human dignity and that the object and purpose of the Convention as an instrument for the protection of individual human beings require that its provisions be interpreted and applied so as to make its safeguards practical and effective. It is therefore of the view that holding a person in a metal cage during a trial constitutes in itself – having regard to its objectively degrading nature which is incompatible with the standards of civilised behaviour that are the hallmark of a democratic society – an affront to human dignity in breach of Article 3.’
EHRM 27 januari 2009, appl. no. 1704/06 (Ramishvili & Kokhreidze vs. Georgië).
EHRM 27 januari 2009, appl. no. 1704/06, r.o. 102 (Ramishvili & Kokhreidze vs. Georgië).
EHRM 11 december 2003, appl. no. 39084/97, r.o. 113 (Yankov vs. Bulgarije).
EHRM 28 oktober 2014, appl. no. 23463/04, r.o. 103 (Slusarczyk vs. Polen).
EHRM 19 juli 2012, appl. no. 497/09, r.o. 52 (Koch vs. Duitsland).
EHRM 5 juli 2011, appl. no. 41588/05, r.o. 36 (Avram en anderen vs. Republiek Moldavië).
EHRM (GK) 11 juli 2002, appl. no. 28957/95, r.o. 90 (Christine Goodwin vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 13 november 2012, appl. no. 37359/09, r.o. 37 (H. vs. Finland).
EHRM 11 september 2007, appl. no. 27527/03, r.o. 56 (L. vs. Litouwen).
EHRM 24 juli 2012, appl. no. 41526/10, r.o. 153 (Dordevic vs. Kroatië).
Zie bijvoorbeeld EHRM 29 april 2002, NJCM-Bulletin 2002, 7, m.nt. Myjer (Pretty vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 20 januari 2011, appl. no. 31322/07 (Haas vs. Zwitserland).
EHRM (GK) 6 juli 2005, appl. no. 43577/98 (Nachova en anderen vs. Bulgarije).
EHRM 2 oktober 2012, appl. no. 40094/05 (Virabyan vs. Armenië).
Zie ook EHRM 7 oktober 2014, appl. no. 28490/02, r.o. 101 (Begheluri en anderen vs. Georgië). ‘The Court also reiterates that discriminatory treatment as such can in principle amount to degrading treatment within the meaning of Article 3, where it attains a level of severity such as to constitute an affront to human dignity (see East African Asians v. the United Kingdom, nos. 4403/70 et al., Commission’s report of 14 December 1973, Decisions and Reports 78, p. 5, § 208; Cyprus v. Turkey [GC], no. 25781/94, §§ 305-311, ECHR 2001-IV; Smith and Grady v. the United Kingdom, nos. 33985/96 and 33986/96, § 121, ECHR 1999-VI; Moldovan and Others v. Romania (no. 2), nos. 41138/98 and 64320/01, §§ 111 and 113, ECHR 2005-VII (extracts); and Abdu v. Bulgaria, no. 26827/08, § 23, 11 March 2014).’
EHRM (GK) 6 juli 2005, appl. no. 43577/98, r.o. 145 (Nachova en anderen vs. Bulgarije) en EHRM 2 oktober 2012, appl. no. 40094/05, r.o. 199 (Virabyan vs. Armenië). Zie ook EHRM 3 juli 2014, appl. no. 37966/07, r.o. 120 (Antayev en anderen vs. Rusland).
EHRM 7 januari 2010, appl. no. 25965/04, r.o. 282 (Rantsev vs. Cyprus & Rusland).
EHRM 27 oktober 1995, appl. no. 20190/92, r.o. 42 (C.R. vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 22 november 1995, appl. no. 20166/92, r.o. 44 (S.R. vs. het Verenigd Koninkrijk).
Zie bijvoorbeeld EHRM 20 maart 2012, appl. no. 26692/05, r.o. 82 (C.A.S. & C.S. vs. Roemenië) en EHRM (GK) 12 november 2013, appl. no. 5786/08, r.o. 81-81 (Söderman vs. Zweden).
EHRM 7 januari 2010, appl. no. 25965/04, r.o. 289 (Rantsev vs. Cyprus & Rusland) en EHRM 20 maart 2012, appl. no. 26692/05, r.o. 83 (C.A.S. & C.S. vs. Roemenië).
Het EHRM heeft meer dan duizend uitspraken gewezen waarin op enige manier het begrip ‘dignity’ voorkomt. In de meerderheid van de zaken wordt de term alleen geciteerd uit nationale wetgeving, rapporten of richtlijnen van andere instanties of gebruikt door partijen of dissenters.1 Hieronder wordt ingegaan op het gebruik van het concept waardigheid door het EHRM. Het EHRM gebruikt de menselijke waardigheid als principe bij de interpretatie van de betekenis van grondrechten2 en beschouwt het volledige verdrag (mede) als bescherming van de menselijke waardigheid.3 Zo overwoog het Hof in de zaak I.: ‘the very essence of the Convention is respect for human dignity’4 en in El-Masri: ‘[a] person should not be treated in a way that causes a loss of dignity, as “the very essence of the Convention is respect for human dignity and human freedom”.’5 Dit maakt echter nog steeds niet duidelijk wat de menselijke waardigheid betekent en welke inbreuken een verlies van waardigheid opleveren. Eerst worden de klachten en de overwegingen van het EHRM weergegeven en beschreven waarin hij de term (menselijke) waardigheid gebruikt. Pas in de volgende subparagraaf presenteer ik een algemene visie op het gebruik van het concept door het EHRM.
De meeste zaken waarin het EHRM de term waardigheid gebruikt zin zaken waarin hij dient te oordelen over klachten betreffende overtredingen van het folterverbod (artikel 3 EVRM). In die zin komen de rechtspraak van het HRC en EHRM overeen. Binnen de geselecteerde rechtspraak van het EHRM zijn grofweg vier categorieën zaken te onderscheiden: klachten over detentieomstandigheden,6onnodig geweld tegen personen van wie de vrijheid wordt beperkt7 of die van hun vrijheid zijn beroofd,8medisch ingrijpen zonder toestemming bij niet-levensbedreigende situaties9 en andere vernederende behandelingen.10 Ook bij schendingen van artikel 8 EVRM wordt de menselijke waardigheid regelmatig door het EHRM in ogenschouw genomen.11 Daarbij gaat het voornamelijk om ‘to ensure respect for human dignity and the quality of life in certain respects’.12 In dezelfde lijn, maar dan bij de beoordeling van artikel 2 EVRM, ligt de uitspraak in de zaak Vo, waarin het EHRM bepaalt dat een foetus bescherming verdient onder de paraplu van de menselijke waardigheid omdat een foetus tot de menselijke soort behoort en capaciteiten heeft om tot een persoon uit te groeien.13 Verder leidt het EHRM een aantal keer uit artikelen 14 en 2 of 3 EVRM een onderzoeksplicht af bij racisme of racistisch geweld, dat ook als zodanig een schending van de menselijke waardigheid oplevert.14 Daarnaast overweegt het EHRM dat bepaalde gedragingen – zoals racisme – de menselijke waardigheid schendt en dat het gedrag in de nationale wetgeving strafbaar moet zijn gesteld.15 In welgeteld drie zaken wordt een onderdeel van het eerlijk procesrecht (artikel 6 EVRM) in verband gebracht met (de menselijke) waardigheid. Het gaat dan om gedrag dat verdachte vertoont tijdens het openbare onderzoek ter terechtzitting16 en om berechting binnen een redelijke termijn17. Dit betreft niet de menselijke waardigheid en daarom blijven deze zaken verder buiten beschouwing. Hieronder ga ik nader in op de beschreven categorieën zaken waarin het EHRM de menselijke waardigheid gebruikt.
De standaardoverweging waarin het EHRM de term menselijke waardigheid gebruikt bij de beoordeling van klachten over detentieomstandigheden is:
‘In accordance with Article 3 of the Convention, the State must ensure that a person is detained under conditions which are compatible with the respect of his human dignity, that the manner and method of the execution of the measure do not subject him to distress or hardship of an intensity exceeding the unavoidable level of suffering inherent in detention’.18
Ten minste de volgende detentieomstandigheden zijn niet in overeenstemming met het respect voor de menselijke waardigheid en maken het leven in gevangenschap zwaarder dan strikt noodzakelijk: slechte faciliteiten voor invaliden,19 inadequate medische voorzieningen of bijstand,20 overbevolking van de inrichting,21 afwezigheid van ventilatie en natuurlijk licht,22 substandaard sanitaire voorzieningen23 en slechte kwaliteit en lage kwantiteit van voedsel.24 Over de beoordeling van de gezondheidszorg in gevangenschap overweegt het Hof dat de standaard van de zorg ‘compatible with the human dignity of the detainee’ moet zijn, overigens zonder dat nader te specificeren.25 Bij de beoordeling van klachten over ruimtegebrek neemt het EHRM de volgende drie elementen in overweging: elke gedetineerde moet een individuele slaapplek hebben; elke gedetineerde moet minstens drie vierkante meter grondoppervlakte tot zijn beschikking hebben en; de gedetineerden moeten vrijelijk tussen het meubilair kunnen bewegen.26 Ook het plaatsen van niet-rokers in een overbevolkte cel met rokers is een schending van de menselijke waardigheid en daardoor een schending van artikel 3 EVRM.27 Overigens kan bijvoorbeeld nachtelijk ruimtegebruik worden gecompenseerd met privileges, zoals meer vrijheid buiten de cel tijdens de dag.28
Verder oordeelt het EHRM dat drie omstandigheden waarbij niet strikt noodzakelijk geweld wordt gebruikt gezien het gedrag van de persoon een aantasting van de menselijke waardigheid oplevert. Het gaat dan om onnodig geweld tegen personen die van hun vrijheid zijn beroofd,29 tijdens een arrestatie30 en ‘[w]hen a person is confronted by police or other agents of the State’31. Met andere woorden, onnodig geweld tegen personen die zich in de macht van overheidsfunctionarissen bevinden, levert een aantasting van de menselijke waardigheid op. In de zaak Kummer32 werd de (onder invloed verkerende en agressieve) verdachte met een handboei vastgemaakt aan een ijzeren ring in de muur en met zijn andere hand aan de tegenoverliggende muur. Daarnaast werden zijn benen met een leren riem vastgebonden. ‘The Court considers that such a situation must have aroused in the applicant feelings of fear, anguish and inferiority and was an attack on his dignity.’33 De klager was immers agressief tegen anderen (en leek niet gevaarlijk voor zichzelf), dus enkele opsluiting was voldoende om hem onschadelijk te maken.
Een volgende categorie van schendingen van artikel 3 EVRM die de menselijke waardigheid aantast, is medisch ingrijpen zonder toestemming bij niet-levensbedreigende situaties. In verschillende zaken hebben Roma-vrouwen een klacht ingediend tegen Slowakije wegens niet noodzakelijk medisch ingrijpen.34 In de zaak I.G. en (twee) anderen werden alle drie de vrouwen gesteriliseerd nadat zij, via een keizersnede, waren bevallen. Ten minste een van de vrouwen kwam pas jaren later achter haar sterilisatie. Het EHRM overwoog:
‘[the] sterilisation was not a life-saving intervention, and neither the applicant’s nor her legal guardians’ informed consent had been obtained prior to it. The procedure was therefore incompatible with the requirement of respect for her human freedom and dignity, similarly to the cases of V.C.’35
De laatste categorie artikel 3 EVRM schendingen waarbij het EHRM de menselijke waardigheid aangetast acht, is eigenlijk een restcategorie. Hierin vallen verschillende handelingen verricht door overheidsfunctionarissen die ten minste de persoon vernederen. In Fyodorov & Fyodorova geeft het EHRM een opsomming van zaken die onder deze categorie vallen.36 Voorbeelden zijn vertoning in het publiek met handboeien om, het onderzoek ter terechtzitting bijwonen in een ijzeren kooi zonder ‘sufficient security justifications’,37 onderzoek in het lichaam zonder wettelijk doel en het scheren van hoofdhaar als disciplinaire straf. De handelingen werden in deze zaken enkel verricht om de verdachte te vernederen. Het afzonderen van de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in een kooi diende bijvoorbeeld geen processueel doel omdat niet vaststond dat de verdachte (vlucht)gevaarlijk was.38 ‘[T]he Court concludes that the imposition of such stringent and humiliating measures upon the applicants cannot be justified in the present case.’39 Het scheren van hoofdhaar heeft verder nog als vernederend effect dat daardoor ‘a visible physical mark’ wordt aangebracht.
‘The mark is immediately visible to others, including prison staff, co-detainees and visitors or the public, if the prisoner is released or brought into a public place soon thereafter. The person concerned is very likely to feel hurt in his dignity by the fact that he carries a visible physical mark.’40
Ook dagelijkse strip searches voor anderhalf jaar, terwijl de gedetineerde elke dag de gehele tijd wordt geobserveerd waardoor de kans op het smokkelen of in bezit hebben van illegale goederen zeer klein is, dient geen processueel doel.
‘[T]he Court considers that the practice of daily strip-searches applied to him for one year and nearly six months must have diminished his human dignity and caused him feelings of inferiority, anguish and accumulated distress which went beyond the unavoidable suffering and humiliation involved in the imposition of pre-trial detention’.41
Bij klachten over artikel 8 EVRM wordt de menselijke waardigheid door het EHRM regelmatig gebruikt om een bepaalde kwaliteit van leven42 voor bepaalde groepen of personen te bevorderen als onderdeel van ‘the private life’. ‘In construing the scope of private life, it is important to have in mind the notion of personal autonomy and human dignity.’43 Voornamelijk worden hierbij positieve verplichtingen aan staten opgelegd, bijvoorbeeld om de juridische erkenning en gelijke behandeling te regelen van personen die een geslachtverandering hebben ondergaan.44
‘The Court would emphasise the positive obligation upon States to ensure respect for private life, including respect for human dignity and the quality of life in certain respects (see, mutatis mutandis, Pretty, cited above, § 65). It has examined several cases involving the problems faced by transsexuals in the light of present-day conditions, and has noted and endorsed the evolving improvement of State measures to ensure their recognition and protection under Article 8 of the Convention’.45
Een ander voorbeeld van de menselijke waardigheid bij artikel 8 EVRM is de zaak Dordevic. In deze ging het om intimidatie van een moeder en haar geestelijk en fysiek gehandicapte zoon. Zelfs na aangiftes werd niets ondernomen tegen de daders. Ten opzichte van de moeder tastte dit haar kwaliteit van leven aan omdat de staat adequate en relevante maatregelen had moeten nemen om de voortduring van intimidatie te voorkomen.46 Een ander onderwerp dat speelt binnen de waardigheid van het privéleven is het menswaardig sterven.47
In de zaken Nachova en anderen48 en Virabyan49 wordt overwogen dat racisme en racistisch geweld een inbreuk op de menselijke waardigheid opleveren.50 Klagers stellen dat de staat onvoldoende adequaat onderzoek heeft verricht naar strafbare feiten gepleegd met een racistisch oogmerk. Daarbij wordt overwogen dat:
‘[r]acial violence is a particular affront to human dignity and, in view of its perilous consequences, requires from the authorities special vigilance and a vigorous reaction. It is for this reason that the authorities must use all available means to combat racism and racist violence, thereby reinforcing democracy's vision of a society in which diversity is not perceived as a threat but as a source of enrichment.’51
In beide gevallen levert het niet adequaat verrichte onderzoek een schending van artikel 14juncto respectievelijk artikel 2 en 3 EVRM op. Ook de strafbare feiten mensenhandel52 en zedendelicten (verkrachting binnen het huwelijk53 en zedendelicten tegen kinderen54) maken een inbreuk op de menselijke waardigheid. In Rantsev en C.A.S. & C.S. worden ook positieve onderzoeksverplichtingen geformuleerd, respectievelijk voor het opsporen van mensenhandel en zedendelicten gepleegd tegen kinderen.55
Kortom, het gebruik van het concept menselijke waardigheid in de rechtspraak van het EHRM is samen te vatten in negen categorieën. De notie wordt gebruikt bij de beoordeling van (1) detentieomstandigheden; (2) onnodig geweld tegen personen in de macht van de overheid; (3) medisch ingrijpen zonder toestemming bij niet-levensbedreigende situaties; (4) overige vernederende behandelingen; (5) de kwaliteit van leven; (6) een positieve verplichting om bepaalde delicten te onderzoeken en; (7) een positieve verplichting om gedragingen die in strijd met de menselijke waardigheid zijn strafbaar te stellen. Voor de verdachte tegen wie opsporingsbevoegdheden worden toegepast, zijn in beginsel alleen punten twee en vier van belang. Bij de toepassing van opsporingsmethoden kan de verdachte zich in de macht van de overheid bevinden (bijvoorbeeld bij de afname van bloed) en op dat moment mag geen onnodig geweld worden gebruikt. Verder biedt ‘overige vernederende behandelingen’ een restcategorie. Hierbij gaat het om de beoordeling van het gedrag van overheidsfunctionarissen ten opzichte van de persoon die zich in een afhankelijke positie ten opzichte van de staat bevindt. Tegen hem mag geen onnodig geweld worden gebruikt en hij mag niet enige wijze worden vernederd.