Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.12.11:9.12.11 Motief voor niet-delen of niet-opvragen van kennis
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.12.11
9.12.11 Motief voor niet-delen of niet-opvragen van kennis
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS601942:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit is een variant op de casus die voorlag in Hof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2014, JOR 2014/265 (ABB/TenneT). Tegen het oordeel van het hof over de toerekening van kennis is geen incidenteel cassatieberoep ingesteld. Zie HR 8 juli 2016, JOR 2016/322.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
394. Het motief van een functionaris om kennis niet op te slaan, te delen of op te vragen, zal slechts zelden bekend zijn. Vaak zal er niet meer achter zitten dan onoplettendheid of een verkeerde inschatting. Indien informatie echter aantoonbaar of zeer waarschijnlijk met opzet is achtergehouden of niet is geraadpleegd, legt die omstandigheid naar mijn mening gewicht in de schaal ten faveure van toerekening van kennis. Dit kwam hiervoor al aan de orde bij de vraag of het zo kan zijn dat de onwetendheid van een handelende functionaris voor risico komt van de rechtspersoon, ook al heeft die aan zijn organisatieplicht voldaan. Het gewicht dat moet worden gehecht aan het motief voor het niet-opvragen of niet-delen van kennis vloeit, anders dan de meeste factoren die in deze paragraaf worden behandeld, niet voort uit het organisatiebeginsel.
Wanneer de handelende functionaris opzettelijk bepaalde informatie niet raadpleegt, is de situatie vrij eenvoudig. Men kan denken aan de verkoper die zijn omzetdoelstellingen wil halen en daarom niet de interne testresultaten opvraagt van het door hem verkochte product, omdat hij vermoedt dat de koper bij het zien van die resultaten wel eens zou kunnen afhaken. De handelende functionaris houdt zichzelf in dat geval van de domme. Dat zal al snel voor risico komen van de rechtspersoon, omdat de rechtspersoon er zelf voor heeft gekozen om deze functionaris als verkoper in te zetten.
Houdt de wetende functionaris bepaalde informatie opzettelijk achter, dan ligt het ingewikkelder. Het gaat ver om in een dergelijk geval de conclusie te trekken dat de rechtspersoon subjectieve kennis had. Bij de handelende functionaris wordt toerekening gerechtvaardigd door zijn betrokkenheid bij het te beoordelen aspect van de rechtsverhouding. Bij de wetende functionaris ontbreekt een dergelijk aangrijppunt. Naar mijn mening is het zinvol om in dit geval acht te slaan op twee andere aspecten: de positie van de functionaris in de hiërarchie en de reden voor het verbergen van gegevens. Kort gesteld: hoe hoger de wetende functionaris is geplaatst en hoe sterker het verbergen van kennis als doel heeft gehad om de rechtspersoon ergens van te laten profiteren, hoe eerder het handelen van de wetende functionaris aan de rechtspersoon mag worden toegerekend. Denk aan de casus dat het bestuur van de rechtspersoon weet dat de rechtspersoon lid is van een kartel. Aan het verkopend personeel, dat hiervan onwetend wordt gehouden, schrijft het bestuur dwingend een prijslijst voor.1 De rechtspersoon zal zich er tegenover de koper van zijn producten niet op kunnen beroepen dat zijn verkoopmedewerkers van niets wisten. Heeft echter een lagere functionaris in verband met een door hem jegens de rechtspersoon gepleegde fraude ervoor gekozen om bepaalde informatie niet op te slaan, dan is er minder aanleiding zijn kennis toe te rekenen.