Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.4.3.2:II.6.4.3.2 Afzonderlijke registratie tegenprestatie
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.4.3.2
II.6.4.3.2 Afzonderlijke registratie tegenprestatie
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS500293:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HvJ 25 februari 1999, zaak C-349/96, BNB 1999/224, r.o. 29 (concl. A-G Fennelly; CPP; m.nt. M.E. van Hilten).
HvJ 15 mei 2001, zaak C-34/99, V-N 2001/32.20 (Primback).
Zie ook A-G Jacobs, conclusie bij: HvJ 27 oktober 1993, zaak C-281/91, BNB 1994/95 (concl. AG Jacobs; Muys & De Winter; m.nt. J.M.F. Finkensieper; FED 1994/35; m.aant. D.B. Bijl).
Besluit van 30 juni 1997, nr. VB97/1567, V-N 1997, p. 2602, punt 14, par. 2.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kenmerkend voor uitstel van betaling is dat het vaak samengaat met een prestatie van andere aard dan kredietverlening. In die omstandigheid moet eerst komen vast te staan of het uitstel van betaling een zelfstandige dienst is. Dat wil zeggen, of het (voldoende) een doel op zich is voor de modale consument.1 Uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Primback kan worden afgeleid dat dit het geval is als uitstel van betaling wordt verleend tegen afzonderlijke vergoeding.2 Het is niet vereist dat het uitstel van betaling in een afzonderlijke overeenkomst is vastgelegd.3
De staatssecretaris van Financiën lijkt in zijn beleid van belang te achten dat de afzonderlijke vergoeding voor uitstel van betaling de vorm heeft van een overeengekomen rentepercentage.4 Dat steunt vermoedelijk op de bewoordingen in het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Muys en DeWinter. Daarin komt de zinsnede ‘tegen vergoeding van rente’ telkens terug, van de prejudiciële vraag tot aan het dictum toe. Echter, omdat de vergoeding van rente in de prejudiciële vraag lag besloten, mag uit dit arrest naar mijn mening niet worden geconcludeerd dat het Hof van Justitie het bedingen van rente, in de zin van een periodieke vergoeding die een percentage van de uitstaande hoofdsom is, als voorwaarde stelt om uitstel van betaling als afzonderlijke dienst in aanmerking te nemen. Veeleer is van belang dat de wil van partijen kenbaar is krediet te verlenen respectievelijk krediet te nemen. Het overeenkomen van rente is een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van die wil, maar niet per definitie doorslaggevend.5 Als partijen in afwijking van een normale betalingstermijn tegen een vaste vergoeding uitstel van betaling afspreken, lijkt mij de wil voor verlening van krediet in beginsel ook aanwezig.