Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.5.2.5
II.6.5.2.5 Huurkoop en financiële lease
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS496575:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 11 juli 1996, zaak C-306/94, BNB 1997/38 (concl. A-G Lenz; Régie Dauphinoise; m.nt. M.E. van Hilten); HvJ 29 oktober 2009, zaak C-174/08, V-N 2009/56.14 (NCC Construction).
Vgl. HvJ 4 december 1990, zaak C-186/89, BNB 1991/352 (Van Tiem; m.nt. L.F. Ploeger). In de zaak Van Tiem speelde de vraag of de vestiging van een opstalrecht een exploitatie van een vermogensbestanddeel was om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen wanneer die vestiging op grond van artikel 3, lid 2, Wet OB 1968 als levering wordt aangemerkt. Artikel 3, lid 2, Wet OB 1968 is gebaseerd op de kan-bepaling van artikel 15, lid 2, onderdeel a, Btw-richtlijn.
Vgl. HvJ 13 juni 2013, zaak C-62/12, FED 2014/4 (Kostov; m.aant. W.J. Blokland); HR 6 juni 2014, BNB 2014/208 (m.nt. C.J. Hummel).
Het economische karakter van een verlening van krediet in het kader van een huurkoop of een financiële lease zou mijns inziens niet wezenlijk anders moeten worden beoordeeld dan dat van andere vormen van kredietverlening. Het is goed voorstelbaar dat deze kredieten in veel gevallen verband houden met werkzaamheden in het kader waarvan de onderliggende goederen (of diensten) worden geleverd en reeds daarom een economisch karakter hebben. De vraag is of de verlening van krediet daardoor ook steeds een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van een belastbare activiteit is. Zoals eerder is opgemerkt, kan in de jurisprudentie worden gelezen dat het Hof van Justitie een dergelijk verlengstuk relatief snel aanneemt (zie ook par. 3.5.2). Mijns inziens heeft de voorkeur alleen een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk aan te nemen als huurverkopen en in financial lease geven van activa systematisch voortvloeit uit de ‘core business’ van een ondernemer (een ‘must have’ is). Die situatie laat zich immers het best vergelijken met de casus in de zaken Régie Dauphinoise en NCC Construction (zie par. 3.3.7.2 en 3.4.2).1 Bij een incidentele huurkooptransactie of een incidentele financiële lease door, bijvoorbeeld, een handelsonderneming, lijkt mij de verlening van krediet eerder een overige werkzaamheid.
In elk geval in theorie is ook een geheel op zichzelf staande huurkooptransactie of financiële lease denkbaar, welke niet tot een groter geheel van werkzaamheden behoort. Mits dan sprake is van een afzonderlijk in aanmerking te nemen verlening van krediet (zie par. 6.4.4.4), moet het voor mogelijk worden gehouden dat een exploitatie van een vermogensbestanddeel ontstaat om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.2 De incidentele levering ingevolge de huurkoop of financiële lease kan dan wellicht op basis van het arrest in de zaak Kostov in het ondernemerschap worden meegetrokken (zie nader par. 3.2.3). 3 Omdat voor het onderkennen van kredietverlening bij huurkoop en financiële lease veel belang toekomt aan het overeenkomen van een afzonderlijke vergoeding, kan een zekere keuzevrijheid bestaan om ondernemer te worden of niet. De huurverkoper of lessor die ondernemer wil worden, doet er goed aan een afzonderlijke vergoeding voor kredietverlening vast te leggen. Hij die dat niet wil, laat dat bij voorkeur na.