Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.3.3.0
II.3.3.0 Introductie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS455600:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: http://www.nu.nl/binnenland/4095954/dode-volkspark-enschedegeidentificeerd.html, laatst geraadpleegd op 6 januari 2017.
Zo komt het woord validiteit in de Sv-titel en het Besluit niet voor, maar betrouwbaarheid wel.
Vgl. Y. Buruma, ‘Betrouwbaar bewijs’, DD 2009, 4, paragraaf ‘Betrouwbare verklaringen van een deskundige’. Hij schrijft dat de algemene deskundigheid vrijwel nooit in twijfel wordt getrokken, maar situationeel, incidenteel gedrag: ‘[h]et gaat er juist in dediscutabele zaken om dat er iets schort aan de inhoud van de rapportage of het gedrag van dedeskundige’.
De vraag of een opsporingsmethode effectief is, betreft de vraag of de toepassing van een methode doeltreffend is. Opsporingsmethoden zijn noodzakelijk om informatie over strafbare feiten te vergaren. De output van een opsporingsmethode is informatie. Het enkele feit dat een bevoegdheid output genereert, is echter onvoldoende om over de effectiviteit van de methode te oordelen. Een gedeeltelijk kapotte richtmicrofoon zorgt namelijk nog steeds voor output, alleen is het afgeluisterde gesprek niet volledig te begrijpen omdat delen van het gesprek niet zijn ontvangen. Uiteindelijk gaat het bij de vraag naar de effectiviteit om de outcome van de bevoegdheid: wordt het doel (i.e. waarheidsvinding) bereikt en zo ja, in welke mate? Het resultaat (het verkregen bewijsstuk) moet worden vertaald naar uitkomst (onder andere of het betrouwbaar bewijs is).
Om uiteindelijk te kunnen analyseren of het beoogde doel van de methode ook daadwerkelijk wordt bereikt, is het voor de inzet van de opsporingsmethode noodzakelijk dat duidelijk is wat het precieze doel is. In het algemeen zal een opsporingsmethode worden ingezet zodat de resultaten daarvan bijdragen aan de waarheidsvinding. Daarbinnen zijn echter nog vele opties mogelijk. De methode kan bewijs opleveren voor de betrokkenheid bij een strafbaar feit. Ook kan een opsporingsmethode worden ingezet om startinformatie te verkrijgen zodat met deze informatie het vervolg van het opsporingsonderzoek kan worden gestuurd naar een specifieke verdachte uit een poule van personen. Daaraan voorafgaand kan informatie worden verzameld om een poule van mogelijke verdachten op te stellen, bijvoorbeeld als bekend is dat de verdachte een bepaald type en merk auto bezit en gebruikt. Wanneer het vergaren van bewijs nog niet mogelijk is en het ook nog niet mogelijk is een poule van verdachten samen te stellen, kan het natrekken van de wandelgangen van het slachtoffer richting geven aan het verdere opsporingsonderzoek.1 Als de verdachte bekend is en voldoende bewijs tegen hem is verzameld maar van de verdachte elk spoor ontbreekt, kunnen opsporingsmethoden worden ingezet om de verdachte te traceren. Al deze doelen dragen bij aan de waarheidsvinding. Een voorbeeld: een telefoontap kan worden geplaatst zodat gesprekken worden opgevangen over het voorbereiden van of het gepleegde strafbare feit (doel bewijsgaring). Met triangulatie kan echter ook een positiebepaling plaatsvinden van de persoon die de telefoon voorhanden heeft (doel traceren). Als informatie aanwezig is dat personen binnen een bepaalde groep delicten plegen, maar niet precies duidelijk is welke personen betrokken zijn, kan een telefoontap worden gebruikt om de organisatorische structuren bloot te leggen en informatie te verkrijgen over de precieze betrokkenheid (doel sturing/bewijsgaring). Het tappen van de telefoon van een slachtoffer kan informatie opleveren over motieven en bij bepaalde delicten (zoals afpersing, bedreiging) leiden tot de verdachte (doel wandelgangen/bewijsgaring). Omdat zelfs bij een en dezelfde methode het subdoel van de waarheidsvinding steeds verschillend kan zijn, is het voor de beoordeling van de effectiviteit van de methode essentieel dat voorafgaand aan de inzet duidelijk is welk doel precies wordt nagestreefd. Als het doel namelijk niet duidelijk is, kan nooit worden beoordeeld of het doel is bereikt.
De vaststelling of het middel geschikt is om de waarheid te achterhalen, hangt in sterke mate ervan af of de methode meet wat hij behoort te meten (dit wordt aangeduid met de validiteit van de methode) en of het resultaat van de methode consistent en zonder meetfouten tot stand komt (dit wordt aangeduid met de betrouwbaarheid). Binnen de validiteit worden vele verschillende soorten onderscheiden. De constructvaliditeit gaat over de vraag of de resultaten van een onderzoek wel werkelijk een indicatie zijn voor het begrip waarover een uitspraak wordt gedaan. Om de verschillende validiteitsbegrippen uit te leggen, gebruik ik de GKT als voorbeeld (en er vindt derhalve nog geen toetsing van de (nero)geheugendetectiemethode plaats). Vertaald naar de GKT: meet de test wel of iemand een herinnering aan het strafbare feit in zijn geheugen heeft of is het eerder een stressreactie doordat een persoon de test moet ondergaan op een politiebureau? Wordt derhalve het herinneren of een stressreactie gemeten? Daarnaast is voor dit hoofdstuk de externe validiteit belangrijk. Een methode is extern valide als de resultaten zijn te generaliseren vanuit de steekproef naar een grotere groep personen. De GKT is voornamelijk onderzocht in kleine groepen personen, meestal studenten. Als de GKT bij deze groep personen inderdaad een onderscheid kan maken tussen mensen met een schuldig en onschuldig geheugen, is de conclusie dan gerechtvaardigd dat (neuro)geheugendetectie bij elk individu uit de samenleving kan? Zijn de resultaten verkregen in wetenschappelijk onderzoek vertaalbaar en veralgemeniseerbaar naar de ‘buitenwereld’?
Wat betreft de betrouwbaarheid van een onderzoeksmethode gaat het onder andere om de vraag naar de mate waarin de metingen vrij zijn van de invloed van toevallige factoren. Als toevallige factoren het resultaat niet beïnvloeden, dan is de gemeten waarde representatief voor de werkelijke waarde. Een voorbeeld: de GKT kan ook fysiologisch worden afgenomen. Niet op basis van hersenactiviteit, maar op basis van bijvoorbeeld zweetproductie en hartslag wordt beoordeeld of iemand daderkennis bezit. Zweetproductie kan echter van veel factoren afhangen, denk bijvoorbeeld aan de temperatuur in de ruimte, stressgevoeligheid van de situatie en de persoon, de angst die het afnemen van een GKT en de confrontatie met de politie met zich brengt. De vraag rijst dan of de resultaten van de GKT betrouwbaar zijn, met andere woorden of daadwerkelijk een herkenning van daderkennis optreedt of een stressreactie? Een belangrijke graadmeter voor de afwezigheid van toevallige factoren is de test-hertestbetrouwbaarheid van de methode. Als de test telkens tot eenzelfde conclusie komt, is de test betrouwbaar. Dan wordt het resultaat op de test namelijk bepaald door systematische factoren en niet door toevallige omstandigheden. Een andere vorm van betrouwbaarheid is de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid. Bij deze vorm van betrouwbaarheid gaat het om de mate van overeenkomst tussen meerdere beoordelaars van dezelfde test. Als verschillende beoordelaars tot eenzelfde conclusie komen is de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid hoog. Wordt op basis van dezelfde resultaten een uiteenlopende conclusie door de beoordelaars genomen, dan is de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid laag. Voor de GKT betekent dit dat de interpretatie van de resultaten – de meting van de EEG – door verschillende deskundigen tot dezelfde conclusie moet leiden.
Om de effectiviteit van opsporingsmethoden te waarborgen, moeten derhalve eisen worden gesteld aan de validiteit van de methode en de betrouwbaarheid van de door de methode verkregen resultaten. De bepalingen uit de titel ‘De deskundige’ uit het Wetboek van Strafvordering en het daarop gebaseerde Besluit register deskundige in strafzaken (hierna ook: het Besluit) geven uiting aan zowel validiteits- als betrouwbaarheidseisen. Omdat ervoor is gekozen met een deskundigenregister te werken, en niet met een methodenregister, ligt de nadruk op betrouwbaarheidseisen.2,3 Persoonlijke kwaliteiten beïnvloeden de structurele kenmerken van een meetmethode niet. Desalniettemin geven de hierboven genoemde titel en het Besluit handvatten voor validiteits- en betrouwbaarheidsnormen in de strafvordering.
In artikel 51l lid 3 Sv is een voorbeeld van een validiteitsvoorwaarde opgenomen. Deze bepaling eist dat de deskundige zijn verslag melding doet gronden op ‘wat zijn wetenschap en kennis hem leren’. Mijns inziens is dit de belangrijkste en centrale voorwaarde voor de validiteit van opsporingsmethode. Enkel methoden die wetenschappelijk zijn getoetst en algemeen zijn aanvaard, mogen ten behoeve van de waarheidsvinding worden gebruikt. Het is daarom van essentieel belang dat de deskundige verslag legt op basis van methoden die op grond van zijn wetenschap en kennis zijn geselecteerd, zowel ter verantwoording van zijn bevindingen als ter controle door contra-expertise. Verder geeft artikel 12 lid 2 onder d. van het Besluit een duidelijk en zelfde handvat voor validiteit:
‘een deskundige wordt […] slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij […] in staat is op basis van de vraagstelling volgens de daarvoor geldende maatstaven een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren’.
Onder f. wordt vervolgens vereist dat de deskundige ‘in staat is om de geldende onderzoeksmethoden in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaventoe te passen’. Onderzoek moet derhalve plaatsvinden naar de ‘geldende maatstaven’ en zijn gebaseerd op ‘zijn wetenschap en kennis’.
Zoals hierboven kort aangestipt, de betrouwbaarheid vormt in de bepaling van het Wetboek van Strafvordering en het Besluit register deskundige in strafzaken een belangrijkere maatstaf. Blijkbaar is de gedachte dat een bekwame deskundige zijn toevlucht zoekt in valide onderzoeksmethoden. Betrouwbaarheidseisen staan in tegenstelling tot validiteitsvoorwaarden wel expliciet in de zojuist genoemde regelingen opgenomen. Artikel 51l lid 1 Sv geeft een voorbeeld van een betrouwbaarheidseis. Als de toepassing van een methode, zoals een DNA-vergelijking, handschriftanalyse of neurogeheugendetectietest, geschiedt door een ondeskundig persoon, is de kans groot dat de resultaten onbetrouwbaar zijn. De methode blijft valide, maar levert alleen betrouwbare resultaten op als hij correct wordt toegepast. De incidentele fout dat een ongeschikt persoon de methode gebruikt, is derhalve een betrouwbaarheidskwestie. Het voornoemde artikel bepaalt daarom dat de deskundige mede verslag moet uitbrengen over zijn bekwaamheid om de methode te gebruiken. In het Besluit staan voornamelijk betrouwbaarheidsvoorwaarden. Zo moet de deskundige voldoende ervaring hebben in het vakgebied (artikel 12 lid 2 onder a.) en in staat zijn correct en begrijpelijk te rapporteren over de resultaten (artikel 12 lid 2 onder e. en g.).
Vertaald naar de toepassing van (neuro)geheugendetectie, betekent dat het meermaals afnemen van de GKT bij dezelfde persoon telkens dezelfde resultaten oplevert. Dan is het resultaat van de test namelijk onafhankelijk van toevallige factoren en dus betrouwbaar. Een GKT kan echter niet meerdere malen op dezelfde manier worden afgenomen bij een verdachte. Uiteindelijk gaat het bij de betrouwbaarheid van de GKT voor de strafrechtspraktijk om de vraag met welke mate van zekerheid iemand als schuldig of onschuldig wordt gecategoriseerd bij een eenmalige afname van de test. Hieronder wordt een overzicht gegeven van aandachtspunten die in ogenschouw moeten worden genomen en die de validiteit en de betrouwbaarheid van de GKT betreffen. Daarna wordt een overzicht gegeven van de correcte classificatiepercentages van experimenteel en veldonderzoek met de GKT.