Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.2.2.3
III.5.2.2.3 Het Bundesverfassungsgericht
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS455586:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
T. Geddert-Steinacher, Menschenwürde als Verfassungsbegriff (diss. Tübingen), Berlijn: Duncker & Humblot 1990, p. 61 en P. Unruh, Der Verfassungsbegriff des Grundgesetzes, Tübingen: Mohr Siebeck 2002, p. 354.
Zie onder andere BVerfGE 19 oktober 1971, 32, 98, r.o. B.I.2 (Gesundbeter) en BVerfGE 17 januari 1979, 50, 166, r.o. B.II.1 (Ausweisung I) en BVerfG 4 november 2009, 1 BvR 2150/08, r.o. A.II.2.a. Zie ook T. Rensmann, Wertordnung und Verfassung, Tübingen: Mohr Siebeck 2007, p. 13, 18.
Zie onder andere BVerfGE 20 oktober 1992, 87, 209, r.o. C.II.3 (Tanz der Teufel) en BVerfGE 12 november 1997, 96, 375, r.o. B.II.3 (Kind als Schaden) en BVerfG 4 november 2009, 1 BvR 2150//08, r.o. A.II.2.a.
BVerfGE 25 februari 1975, 39, 1, r.o. C.I.2.
BVerfG 15 februari 2006, 1 BvR 357/05, r.o. C.II.2.b.aa.
T. Geddert-Steinacher, Menschenwürde als Verfassungsbegriff (diss. Tübingen), Berlijn: Duncker & Humblot 1990, p. 61.
Zie ook BVerfGE 25 februari 1975, 39, 1, r.o. C.I.2.
BVerfGE 25 februari 1975, 39, 1, r.o. C.I.1.b (Schwangerschaftsabbruch I)
BVerfG 31 maart 2010, 1 BvR 2910/09, r.o. 2.c.1.aa. “Das Kind ist ein Wesen mit eigener Menschenwürde und eigenem Recht auf Entfaltung seiner Persönlichkeit”.
BVerfG 7 november 2011, 1 BvR 1403/09, r.o. I.1, II.3.aa (2).
BVerfG 22 februari 2011, 1 BvR 409/09, r.o. I.1 en BVerfG 7 november 2011, 1 BvR 1403/09, r.o. I.1, II.3.aa (1).
BVerfG 19 december 2007, 1 BvR 1533/07, r.o. II.1 (Theaterstück Ehrensache).
C. Walter, ‘Human Dignity in German Constitutional Law’, in: The Venice Commission, The principle of respect for human dignity, Strasbourg : Council of Europe Publishing 1999, p. 28-37.
T. Geddert-Steinacher, Menschenwürde als Verfassungsbegriff (diss. Tübingen), Berlijn: Duncker & Humblot 1990, p. 31.
Zie onder andere BVerfGE 20 oktober 1992, 87, 209, r.o. C.II.3 (Tanz der Teufel) en BVerfG 15 februari 2006, 1 BvR 357/05, r.o. C.II.2.b.aa (Luftsicherheitsgesetz).
T. Geddert-Steinacher, Menschenwürde als Verfassungsbegriff (diss. Tübingen), Berlijn: Duncker & Humblot 1990, p. 59.
BVerfG 15 februari 2006, 1 BvR 357/05, r.o. C.II.2.b.aa (Luftsicherheitsgesetz).
BVerfG 14 december 2004, 2 BvR 1249/04, r.o. 1 (Fall Gäfgen).
BVerfGE 15 december 1970, 30,1, r.o. C.I.2.c (Abhörurteil).
BVerfGE 12 december 2000, 102, 347, r.o. B.3.aaa (Schockwerbung I).
BVerfGE 12 december 2000, 102, 347, r.o. B.3.ee (Schockwerbung I). Zie ook BVerfGE 23 oktober 1952, 2, 1, r.o. E (SRP-Verbot).
C. Walter, ‘Human Dignity in German Constitutional Law’, in: The Venice Commission, The principle of respect for human dignity, Strasbourg : Council of Europe Publishing 1999, p. 41. Zie onder andere BVerfG 27 juli 2005, 1 BvR 668/04, r.o. C.II.3.c en BVerfG 13 juni 2007, 1 BvR 1783/05, r.o. C.II.1.
BVerfG 4 november 2009, 1 BvR 2150/09, r.o. A.III.
BVerfG 13 februari 2007, 1 BvR, 421/05, r.o. B.I.1.
BVerfGE 31 januari 1973, 34, 238, r.o. B.II.3 (Tonband).
BVerfGE 31 januari 1973, 34, 238, r.o. B.II.5 (Tonband)
BVerfG 7 december 2011, 2 BvR 2500/09, 1857/10, r.o. D.I.1.a.
BVerfG 19 maart 2013, 2 BvR 2628/10, r.o. B.I.1.a.
BVerfGE 21 juni 1977, 45, 187, r.o. C.II.1 (Lebenslange Freiheitstrafe).
Zie onder andere BVerfG 17 mei 2011, 2 BvR 942/11, r.o. III.c en BVerfG 29 november 2011, 2 BvR 1758/10, III.1.b. Zie ook T. Rensmann, Wertordnung und Verfassung, Tübingen: Mohr Siebeck 2007, p. 314.
Zie onder andere BVerfG 8 maart 2006, 2 BvR 486/05, r.o. B.II.5.aa en BVerfG 31 mei 2006, 2 BvR 1673/04, r.o. C.I.4.b.
BVerfG 14 juni 2007, 2 BvR 1447/05, r.o. B.I.3.cc en BVerfG 15 januari 2009, 2 BvR 2044/07, r.o.B.II.3.a.
BVerfG 19 maart 2013, 2 BvR 2628/10, 2 BvR 2883/10, 2 BvR 2155/11, r.o. B.I.2.b.bb en BVerfG 13 juni 2007, 1 BvR 1550/03, r.o. C.II.2.aa.
BVerfG 19 maart 2013, 2 BvR 2628/10, 2 BvR 2883/10, 2 BvR 2155/11, r.o. B.I.2.b.bb.
BVerfG 12 oktober 2011, 2 BvR 236/08, r.o. C.IV.4.bb. Zie ook BVerfG 28 januari 2008, 2 BvR 112/08, r.o. 2.b en BVerfG 2 maart 2010, 1 BvR 256/08, r.o. A.II.1.aa.
BVerfG 14 juni 2007, 2 BvR 1447/05, r.o. B.I.3.cc.
BVerfG 13 november 2007, 2 BvR 2201/05, r.o. III.2.b.
BVerfG 13 november 2007, 2 BvR 2201/05, r.o. III.2.b en BVerfG 7 november 2011, 1 BvR 1403/09, r.o. II.3.aa (1).
BVerfG 13 november 2007, 2 BvR 2201/05, r.o. III.2.b.
BVerfG 20 maart 2013, 2 BvR 67/11, r.o. II.5.
BVerfG 4 februari 2009, 2 BvR 455/08.
C.W.J.M. Alting von Geusau, Human Dignity and the Law in post-War Europe (diss. Wenen), Wenen: Universität Wien 2013, p. 239-240.
P. Tiedemann, Menschenwürde als Rechtsbegriff, Berlijn: Berliner Wissenschaft Verlag 2012, p. 616. Zie voor een neutralere beschrijving, namelijk door de menselijke waardigheid een ‘open’ begrip te noemen T. Geddert-Steinacher, Menschenwürde als Verfassungsbegriff (diss. Tübingen), Berlijn: Duncker & Humblot 1990, p. 22.
C. Walter, ‘Human Dignity in German Constitutional Law’, in: The Venice Commission, The principle of respect for human dignity, Strasbourg: Council of Europe Publishing 1999, p. 28-37.
Overigens wordt in de eerste paragraaf van het volgende hoofdstuk (6.1) het filosofische concept privacy geanalyseerd, waarbij ik beargumenteer dat de ontwikkeling van de persoonlijkheid de kern, het doel-in-zichzelf van het recht op privacy is.
Anders dan in het EVRM staat de menselijke waardigheid wel in de Duitse Grondwet opgenomen. Artikel 1 lid 1 GG luidt als volgt: ‘Die Würde des Menschen ist unantastbar. Sie zu achten und zu schützen ist Verpflichtung aller staatlichen Gewalt.’ In dit artikel is een negatieve verplichting – de onaantastbaarheid van de waardigheid – en een positieve verplichting – het beschermen van de waardigheid – opgenomen. Juist omdat in Duitsland in het verleden op buitengewoon grote schaal de menselijke waardigheid is aangetast, heeft het concept nu een prominente plaats in de constitutie en, daardoor, in de rechtspraak.1 In de rechtspraak van het BVerfG komt de menselijke waardigheid naar voren als de hoogste waarde van alle mensenrechten2 en het begrip dat de constitutie draagt.3
‘Wo menschliches Leben existiert, kommt ihm Menschenwürde zu; es ist nicht entscheidend, ob der Träger sich dieser Würde bewußt ist und sie selbst zu wahren weiß.’4
In eerste instantie wordt de menselijke waardigheid in verband gebracht met het recht op leven. ‘Das menschliche Leben ist die vitale Basis der Menschenwürde als tragendem Konstitutionsprinzip und oberstem Verfassungswert.’5 Zonder het recht op leven wordt aanspraak maken op het recht op respect voor menselijke waardigheid (en overigens ook alle andere rechten) betekenisloos. Geddert-Steinacher stelt zelfs dat ‘leven’ het enige vereiste is om waardigheid te verkrijgen.6 Niet bepalend is hoe iemand zijn leven leidt. Het enkele feit dat iemand leeft, betekent dat hem waardigheid toekomt.7 Het BVerfG kent waardigheid toe tijdens het begin van het leven (namelijk vanaf 14 dagen na de bevruchting),8 tijdens het leven aan alle natuurlijke personen en dus ook kinderen,9 verdachten10 en veroordeelden,11 en zelfs postmortaal.12 Postmortaal kan namelijk de goede naam en de eer ten onterechte worden aangetast. Tegen zo’n aantasting beschermt artikel 1 GG ook. De bescherming tijdens het leven vindt volgens Walter plaats op vijf terreinen: (1) fysieke integriteit; (2) minimum niveau van kwaliteit van leven; (3) detentieomstandigheden; (4) privacy en; (5) regulering van moderne technologieën.13
De kern van het recht op menswaardige behandeling is de Objektformel.14
‘Mit ihm (de menselijke waardigheid, DvT) ist der soziale Wert- und Achtungsanspruch des Menschen verbunden, der es verbietet, den Menschen zum bloßen Objekt des Staates zu machen oder ihn einer Behandlung auszusetzen, die seine Subjektqualität prinzipiell in Frage stellt’.15
De invloed van Kant op de uitwerking van artikel 1 GG is door de objectformule duidelijk zichtbaar. De mens mag niet enkel als een object worden behandeld, waardoor zijn menselijke vermogens worden gepasseerd.16 Voorop staat dat mensen gelijkwaardig zijn, eigenwaarde hebben en zelfstandig, zonder overheidsdwang, keuzes moeten kunnen maken.17 Verschillende gedragingen maken de burger enkel een object, zoals foltering,18 willekeur,19 vernedering20 en brandmerking.21
Vaak wordt het verband tussen menselijke waardigheid en persoonlijkheid of persoonlijke ontwikkeling (artikel 2 GG) gemaakt.22 Zo overweegt het BVerfG: ‘Die Menschenwürde sei nur dann betroffen, wenn der Kernbereich der Persönlichkeit berührt werde’23 en
‘Das Recht auf freie Entfaltung der Persönlichkeit und die Verpflichtung zur Achtung und zum Schutz der Menschenwürde sichern gemäß Art. 2 Abs. 1 in Verbindung mit Art. 1 Abs. 1 GG jedem Einzelnen einen autonomen Bereich privater Lebensgestaltung, in dem er seine Individualität entwickeln und wahren kann.’24
In algemene zin mag de Duitse burger dus niet enkel als object worden behandeld en is de persoonlijkheid, individualiteit en persoonlijke ontwikkeling een kernonderdeel van de menselijke waardigheid. Bijvoorbeeld over het opnemen van het gesproken woord overweegt het BVerfGE dat dit de onaantastbaarheid van de persoon aantast, doordat de stem en de inhoud van het gesprek los worden gekoppeld van de persoonlijkheid. De mens is niet alleen zijn stem, terwijl bij het opnemen van een gesprek ‘das gesprochene Wort damit seinen privaten Charakter einbüßt’.25 Overigens is niet elke gespreksopname in strijd met de menselijke waardigheid en het persoonlijkheidsrecht. Het algemeen belang, waaronder strafvorderlijke belangen vallen, kan beperkingen op die zojuist genoemde rechten rechtvaardigen.26
Specifiek voor het strafrecht gebruikt het BVerfG de term Würde vaak. Ten eerste volgt uit de menselijke waardigheid dat een goed functionerend strafrechtelijk systeem moet bestaan.27 Dit is een algemener vereiste dan de verplichte strafbaarstellingen en onderzoeksverplichtingen die het EHRM aan het respect voor menselijke waardigheid koppelt. Onder een goed functionerend strafrechtsysteem in overeenstemming met de menselijke waardigheid vallen verschillende onderdelen. Zo worden bepaalde materieel- en penitentiairrechtelijke uitgangspunten en procesrechten op de menselijke waardigheid gebaseerd. Uit de menselijke waardigheid volgt onder andere dat geen straf zonder schuld mag worden opgelegd (Schuldprinzip),28 dat bepaalde straffen – waaronder de onbeperkte levenslange gevangenisstraf29 – mensonwaardig zijn30 en dat straffen nooit alleen een vergeldend karakter mogen hebben (Resozialisierungsgrundsatz).31 In de menselijke waardigheid van artikel 1 GG ‘wortelt’ ook het recht van de verdachte op een eerlijk proces.32 Wat betreft de concrete (eerlijk-)procesrechten worden onder andere het nemo-teneturbeginsel33 en het zwijgrecht34 en het recht op vertrouwelijke communicatie met een raadsman35 op grond van de menselijke waardigheid aan de verdachte toegekend. Daarnaast stelt het BVerfG dat uit de menselijke waardigheid ook volgt dat het bestraffen alleen dan plaats mag vinden als de waarheid in bepaalde mate van zekerheid is vastgesteld.36 Veel straf(proces)rechtelijke uitgangspunten vinden derhalve hun basis in het recht op respect voor menselijke waardigheid.
Zoals ook het HRC en het EHRM, toetst het BVerfG detentieomstandigheden aan de menselijke waardigheid. Minimumvereisten voor menswaardige detentie zijn in beginsel 16 kubieke meter en 6 vierkante meter ruimte per gevangene37 en een afgezonderd en geventileerd toilet38. Overigens kan een gebrek aan ruimte worden gecompenseerd door bepaalde privileges, zoals meerdere uren buiten de cel verblijven.39 Het BVerfG overwoog ook dat het plaatsen van een niet-roker in een cel samen met een roker een minachting van de menselijke waardigheid van de eerste is.40 Hij kan zich dan namelijk niet onttrekken aan de situatie, terwijl niet iedereen gesteld is op tabakslucht en de daarmee gepaard gaande risico’s.
Ook de toepassing van dwangmiddelen wordt door het BVerfG langs de lat van de menselijke waardigheid gelegd. In een zaak werd een belastingadviseur gearresteerd omdat hij werd verdachte van fraude.41 Vervolgens werd hij in zijn lichaam gefouilleerd. Volgens het Duitse recht was dat mogelijk gezien de zwaarte van de sanctie op het delict. Gezien de aard van het delict is het echter zeer onwaarschijnlijk dat bepaalde, belastende documenten in het lichaam van de verdachte waren verstopt. ‘The authorities had only generally applied the law, without taking into consideration […] the reasons for his arrest.’42
Kortom, het gebruik van het concept menselijke waardigheid in de rechtspraak van het BVerfG laat zich niet eenvoudig samenvatten. Dat komt doordat het gerecht de notie vaker en bij een veelheid aan onderscheidende onderwerpen gebruikt en duidelijk op de categorische imperatief van Kant baseert. Daarom wordt ook wel gesproken dat het veelvuldige gebruik van het concept menselijke waardigheid leidt tot inflatie van het begrip.43 In het begin van de beschrijving van de Duitse rechtspraak op het gebied van de menselijke waardigheid, heb ik verwezen naar Walter die vijf terreinen onderscheidt waarop de menselijke waardigheid wordt gebruikt.44 Dit zijn de (1) fysieke integriteit; (2) het minimum niveau van kwaliteit van leven; (3) detentieomstandigheden; (4) privacy en; (5) regulering van moderne technologieën.
Over het algemeen kan ik me in die indeling goed vinden, behalve dat ik één categorie wil toevoegen en één nader wil belichten. Het BVerfG plaats namelijk ook veel straf(proces)rechtelijke principes, zoals het resocialisatiebeginsel, in het licht van de menselijke waardigheid. Deze principes passen niet onder een van de hierboven weergegeven categorieën. Verder moet het begrip ‘privacy’ in deze indeling breed worden opgevat. Hieronder vallen niet alleen de bescherming van de privésfeer, maar ook de ontwikkeling van de persoonlijkheid (artikel 2 GG) (en alles dat daarvoor belangrijk is).45 Vooral de strafprocesrechtelijke principes, zoals het nemo-teneturbeginsel, zijn voor de toetsing van opsporingsmethoden van belang. Artikel 1 GG biedt op die manier, en in combinatie met de bescherming van de fysieke integriteit en regulering van moderne technologieën, bescherming tegen mensonwaardige toepassing van het strafprocesrecht. Tevens wordt met de ObjektFormel gewaakt tegen instrumentaliseren van de verdachte.