Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.5.2.3
II.6.5.2.3 Afwijkende visie over het economische karakter van geldleningen
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS497791:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Henkow 2008, p. 161-163 en p. 167-169; R.A. Wolf, ‘EDM: New Guidance from Luxembourg’, International VAT Monitor 2004, p. 253.
R.o. 68.
Vgl. K. Lenaerts, ‘The Court of Justice and EU Law’, in: G. Maisto, Taxation of IntercompanyDividends under Tax Treaties and EU Law, Amsterdam: IBFD 2012, p 4: ‘Judgments of the ECJ should not be read like statutory provisions, which they are not. Paragraphs of a judgment should not be singled out and then put between quotation marks preceded by “the Court of Justice held that”. That is misleading. The ECJ works indeed with paragraphs and linguistically speaking they can be singled out; legally speaking, however, they cannot, as they are to be related to the context in which they have been drafted as steps in the reasoning towards the operative part of the judgment.’
93. Punt 51. (Vgl. HvJ 17 januari 2013, zaak C-224/11, V-N 2013/18.16, r.o. 44-45 (BGŽ Leasing)).
In de literatuur heeft in het bijzonder Henkow, maar ook Wolf, verdedigd dat uit de arresten in de zaken Régie Dauphinoise, Floridienne/Berginvest en EDM volgt dat alleen het uitlenen van eigen geld op zichzelf staand een economische activiteit kan zijn.1 Daarom zou het Hof van Justitie de verlengstukgedachte nodig hebben om het uitlenen van geld in de zaak Régie Dauphinoise binnen de reikwijdte van de omzetbelasting te trekken. Henkow beschouwt het geld, dat de vastgoedbeheerder tot zijn beschikking had vanwege de ontvangen huurpenningen voor de eigenaren van het vastgoed, kennelijk als geld van anderen.
In de zaak Floridienne/Berginvest ziet hij vervolgens een verduidelijking van het arrest in de zaak Régie Dauphinoise. In die zaak verstrekt een vennootschap een lening aan haar dochtervennootschap. Dit doet zij in de visie van Henkow niet met eigen geld, maar schijnbaar met geld van die dochtervennootschap zelf. Omdat een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verband met een belastbare activiteit ontbreekt, verklaart dit in zijn visie dat de lening geen economisch karakter heeft. Ten slotte wijst Henkow erop dat het Hof van Justitie in het arrest in de zaak EDM op enig moment in zijn overwegingen stelt dat EDM diensten verricht met ‘tot haar vermogen behorende fondsen’.2 Dat verklaart het verschil in uitkomst tussen de arresten in de zaken Floridienne/Berginvest en EDM, aldus Henkow nog steeds.
Het is mij onduidelijk wat de ratio is van een onderscheid tussen uitlenen van eigen geld en geld van een ander. Het is bovendien schimmig wat eigen geld is en geld van een ander. In de zaak Régie Dauphinoise is als feit vastgesteld dat de vastgoedbeheerder eigenaar is van de gelden op zijn rekening. Ik zie niet in op basis waarvan het dan alsnog eigenlijk geld van een ander kan zijn, zoals Henkow betoogt. Verder lijkt de visie van Henkow vooral gebaseerd op enkele, geïsoleerd van hun context gelezen (zinsneden in) rechtsoverwegingen uit drie arresten, terwijl de vraag is of die overwegingen zich daarvoor lenen.3 Hij kent, bijvoorbeeld, behoorlijk wat betekenis toe aan de overweging uit het arrest de zaak EDM, dat tot het vermogen van de holding behorende fondsen worden uitgeleend. Interessant is echter dat A-G Léger in zijn conclusie nog vermeldt dat de herkomst van die fondsen onduidelijk is.4 Ik vind de visie van Henkow daarom al met al niet overtuigend.