Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/2.6:2.6 Ratio voor keuze van het type kennis
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/2.6
2.6 Ratio voor keuze van het type kennis
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS596134:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
58. Waarom eist een norm dat een partij subjectieve kennis heeft, en volstaat objectieve kennis niet? Daar lijken uiteenlopende redenen voor te bestaan. In de parlementaire geschiedenis zal men slechts zelden een expliciete overweging vinden over waarom bij een bepaald wetsartikel gekozen is voor een subjectief in plaats van een objectief kenniscriterium.1 Ook jurisprudentie en literatuur laten zich daar zelden over uit.2
59. Zoals Snijders terecht opmerkt in zijn noot onder NJ 2002/384, vraagt de gelijkstelling van het redelijkerwijze kunnen weten met het weten zelf telkens om legitimatie. Naar mijn idee komt in het type kennis dat de norm eist, veelal de mate van bescherming tot uitdrukking die aan een partij toekomt. Als vuistregel geldt: hoe subjectiever het type benodigde kennis of hoe kwader de benodigde intentie (opzet), des te meer bescherming komt toe aan de partij van wie die kennis of intentie benodigd is. De faillissementspauliana kan als voorbeeld dienen:
Krijgt de schuldeiser van de schuldenaar iets cadeau, dan verdient hij weinig bescherming. De gift kan worden vernietigd ook als de schuldeiser geen wetenschap van benadeling had (art. 42 Fw);
Stelt de schuldeiser wel een tegenprestatie tegenover de onverplichte rechtshandeling van de schuldenaar, dan verdient de schuldeiser al meer bescherming. De rechtshandeling kan slechts worden vernietigd indien de schuldeiser wist of behoorde te weten (objectieve kennis had) dat benadeling van de schuldeisers daarvan het gevolg zou zijn (art. 42 lid 2 Fw);
Krijgt de schuldeiser een reeds opeisbare schuld van de schuldenaar voldaan, dan verdient hij de meeste bescherming. De voldoening kan slechts worden vernietigd indien de schuldeiser wist dat het faillissement van de schuldenaar was aangevraagd (subjectieve kennis) of indien schuldenaar en schuldeiser het oogmerk (kwade intentie) hadden om de schuldeiser boven anderen te begunstigen (art. 47 Fw).3
De strekking van de norm, en daarmee de mate van bescherming die de norm aan een van de partijen beoogt te bieden, wordt door veel schrijvers – en ook door mij – gezien als een belangrijke factor bij de toerekening van kennis. Zie over de rol van de strekking van de norm par. 7.8.2 en 7.12 (standaardsituaties) en 9.9 en 9.12.4 (kennisversplintering). Geen voorwerp van het onderhavige onderzoek is of bij elk van de betrokken wetsbepalingen en in jurisprudentie geformuleerde regels voldoende gelegitimeerd is dat het rechtsgevolg reeds intreedt bij objectieve kennis.