De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/4.5:4.5 Gratuitous promises versus gratuitous property dispositions
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/4.5
4.5 Gratuitous promises versus gratuitous property dispositions
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375584:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
206. Uit het voorgaande blijkt dat het Engelse recht de mogelijkheid van het maken van bindende gratuitous promises restrictief benadert, terwijl met verschillende constructies eenzijdig (zonder instemming of consideration) goederenrechtelijke rechten kunnen worden overgedragen. De rechtvaardiging voor dit verschil is mijns inziens drieledig.
207. Ten eerste bestaat in het Engelse recht de neiging meer gewicht toe te kennen aan daden dan aan woorden. Dit uitgangspunt komt op verschillende manieren tot uitdrukking. Baker observeerde, zoals hiervoor reeds aangehaald, dat geen vordering kan worden ingesteld “for mere breath”.1 Voor een afdwingbaar vorderingsrecht is meer nodig, zoals het inachtnemen van de vormvoorschriften voor een deed.
Een andere regel die in deze sleutel kan worden geplaatst, is het feit dat een schenking slechts werking heeft na een voltooide levering. Een incomplete leveringsactie kan niet worden gerepareerd door een ondubbelzinnige verklaring dat een schenking wordt gedaan. Justice Plowman in Vandervell v Inland Revenue Commissioners2 stelde dat ‘a man does not cease to own property by saying “I don’t want it”. If he tries to give it away the question must always be, has he succeeded in doing so or not?’. Het gaat er dus om dat het wegschenken uitgevoerd wordt, en niet slechts in woord wordt aangekondigd. Pas als iemand iets daadwerkelijk doet, kan worden vastgesteld dat hij het echt wilde.
Het onderscheid tussen woorden en daden is op meer plaatsen zichtbaar. Cartwright stelt dat rechters voorzichtiger zijn met het opleggen van aansprakelijkheid voor onachtzame verklaringen, dus woorden, dan voor daden.3 Vormvrije contracten hebben met de doctrine of consideration een mechanisme geïncorporeerd om te waarborgen dat beide partijen gecommitteerd zijn. De vormvereisten die zijn verbonden aan het maken van een geldige deed zorgen ervoor dat hij niet simpelweg een belofte doet, maar dat hij een handeling verricht (het opschrijven van de belofte, het tekenen voor getuigen, de delivery). De besproken goederenrechtelijke transacties zijn geen beloften om iets te geven, maar het daadwerkelijk geven.
208. Met het onderscheid tussen woorden en daden hangt het concept van kenbaarheid samen. Voor derden moet kenbaar zijn wie welke rechten op een goed houdt. Een verschuiving van rechten op goederen is doorgaans naar buiten toe zichtbaar, bijvoorbeeld wanneer door een schenking de macht over een goed overgaat van de ene persoon op de andere, of wanneer de leveringsakte van een registergoed wordt ingeschreven in de openbare registers. Het zou onwenselijk zijn als uitgevoerde goederenrechtelijke transacties eenvoudig kunnen worden ongedaan gemaakt, terwijl het terugkomen op een vormvrije belofte de positie van derden minder beïnvloedt.
209. Een derde factor is dat het Engelse recht uitgaat van de veronderstelling dat een persoon zijn keuzes baseert op het gevolg daarvan voor zijn vermogen, en dat hij zal handelen op een voor zijn vermogen gunstige manier.4 Dit leidt tot de aanname dat wanneer iemand een geschenk krijgt, hij dat in beginsel zal willen aanvaarden. Daarnaast vloeit hieruit voort dat iemand wordt geacht geen verbintenis op zich te nemen als hij daar zelf geen voordeel mee behaalt. Een gratuitous promise is doorgaans nadelig voor iemands eigen vermogen. Om die reden gaat het Engelse recht ervanuit dat iemand zo’n belofte niet bindend wil maken. Dit vermoeden kan worden weerlegd door de belofte neer te leggen in een deed.
Hoewel in het Nederlandse recht de verwachting dat iemand zal handelen op een manier die gunstig is voor zijn vermogen niet expliciet is geformuleerd, lijkt het beginsel een rol te spelen. Naar Nederlands recht moet een schenking worden aanvaard, maar wordt aanvaarding snel aangenomen. Als de ontvanger niet onmiddellijk het aanbod van een schenking afwijst, wordt hij geacht het te hebben aanvaard.5 Het aanvaardingsvereiste is gebaseerd op een tweede beginsel, namelijk dat iemand een ander geen voordeel moet kunnen opdringen dat hij niet wil ontvangen. Dat dit beginsel ook in het Engelse recht opgeld doet, blijkt uit het recht van de ontvanger om een gift (met terugwerkende kracht) te weigeren. Nederlands en Engels recht gaan dus uit van dezelfde principes, maar geven daar op een verschillende manier invulling aan.