De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.13.3.1.2:III.13.3.1.2 Vormgeving intrekkingsbevoegdheid
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.13.3.1.2
III.13.3.1.2 Vormgeving intrekkingsbevoegdheid
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS376510:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1998/99, 25891, nr. 5, p. 23.
Art. 14 lid 1, paragraaf 2.3 HRWN en art. 14 lid 2, paragraaf 2.2 HRWN.
Art. 15 lid 1 sub d HRWN.
Een imperatieve bevoegdheid tot intrekking is neergelegd in art. 19 Vw 2000 en art. 22 lid 1 Vw 2000.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De intrekkingsbepalingen die zijn neergelegd in de RWN zijn allen discretionair van aard. Bepaald is dat in de daar genoemde gevallen de beschikking kan worden ingetrokken. Ten aanzien van art. 14 lid 1 RWN is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat bewust is gekozen voor een discretionaire bevoegdheid, omdat een belangenafweging wenselijk werd geacht.1 In de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap wordt het beleidsvrije karakter van art. 14 RWN benadrukt.2 Wat art. 14 lid 1 RWN betreft, geeft art. 68 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap een opsomming van elementen die in de belangenafweging dienen te worden meegenomen. In de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap zijn zowel voor de intrekking op grond van art. 14 lid 1 als lid 2 RWN maatstaven opgenomen voor de uitoefening van de discretionaire intrekkingsbevoegdheid. Ook de intrekking vanwege het nalaten al het mogelijke te doen om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, betreft een discretionaire bevoegdheid.3
De intrekkingsbepalingen neergelegd in de Vw 2000 zijn hoofdzakelijk discretionair van aard. In de hier besproken regeling zijn voornamelijk kanbepalingen te vinden.4 De minister beschikt aldus over beleidsvrijheid bij de uitoefening van de intrekkingsbevoegdheid. Deze beleidsvrijheid is echter op diverse plaatsen ingeperkt. In de eerste plaats is dit gebeurd in het Vreemdelingenbesluit 2000. Zo is bijvoorbeeld in art. 3.105f Vb 2000 intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in bepaalde gevallen een verplichting. Een en ander is niet in strijd met de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van art. 32 lid 2 Vw 2000 geldt immers:
‘Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning als bedoeld in het eerste lid die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, wordt ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van zodanige verblijfsvergunning wordt afgewezen.’
De aan de minister toekomende beleidsvrijheid wordt op deze manier aanzienlijk ingeperkt.