Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.12.3.1.1
III.12.3.1.1 Limitatieve opsomming van intrekkingsgronden?
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS378953:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
AB 2000/47 m.nt. Schreuder-Vlasblom.
Wel is een uitdrukkelijke intrekkingsgrond ingeval van overtreding opgenomen als gevolg van een wens tot uitbreiding van de in de DHw neergelegde intrekkingsgronden. Vgl. Kamerstukken II 1997/98, 25969, nr. 3, p. 17. Kennelijk was intrekking op die grond op basis van een impliciete intrekkingsbevoegdheid niet mogelijk. Dit lijkt mij echter onvoldoende om aan te nemen dat art. 31 DHw een limitatieve opsomming aan intrekkingsgronden bevat.
Een eerste vraag in het kader van de wijze van vormgeving van de intrekkingsbevoegdheid is of de in de wet gegeven intrekkingsgronden al dan niet limitatief zijn. De tekst van de in dit hoofdstuk onderzochte wetten geeft geen antwoord op deze vraag. Niet is expliciet bepaald dat intrekking slechts op de daar genoemde gronden kan plaatsvinden. Wat betreft de WWM kan worden gewezen op de in paragraaf 3.2.2.2 besproken en bekritiseerde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 30 december 1999.1 De Afdeling oordeelde dat de WWM zich er niet verzet tegen intrekking op grond van zwaarwegende belangen, de openbare orde dan wel de veiligheid hiertoe nopen. De WWM voorzag echter niet in een grondslag daartoe. Voor zover mij bekend is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak daarna niet meer in deze zin overwogen. Deze uitspraak biedt mijns inziens dan ook onvoldoende basis voor de stelling dat de in de WWM neergelegde intrekkingsgronden niet limitatief zijn. Gelet op de belangen die met de WWM worden beschermd lijkt het mij eerder verdedigbaar dat wel sprake is van een limitatieve intrekkingsregeling. Een en ander zou ook kunnen worden afgeleid uit het feit dat naast een algemene regeling inzake intrekking, ook de mogelijkheid bestaat om voor een specifieke toestemming een bijzondere intrekkingsregeling op te nemen, hetgeen bijvoorbeeld is gebeurd in art. 12 WWM. Wat betreft de intrekkingsgronden neergelegd in de DHw zijn zowel in de wet(sgeschiedenis) als in de jurisprudentie geen aanknopingspunten te vinden voor een antwoord op de vraag of de in die wet neergelegde intrekkingsgronden al dan niet limitatief zijn.2 Voor zover mij bekend is, zijn er geen voorbeelden te vinden van situaties waarin een DHw-vergunning werd ingetrokken op basis van een andere grond dan die welke zijn genoemd in art. 31 DHw.