Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.7.2:7.7.2 De hoofdregel
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.7.2
7.7.2 De hoofdregel
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS593831:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dat wil zeggen: in andere standaardgevallen dan die waarin de functionaris namens de rechtspersoon een rechtshandeling verricht.
Vgl. de overwegingen van A-G Wissink op dit punt in zijn conclusie voor HR 27 november 2015, NJ 2016/245 (Ponzi-zwendel), par. 6.93-6.97.
Jansen 2016, par. 5, p. 213.
Tjittes 2001b, p. 40.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
202. Op basis van de voorgaande beschouwingen stel ik de volgende de hoofdregel voor toerekening van kennis van functionarissen aan rechtspersonen in het standaardgeval1 voor:
“De kennis van een functionaris mag worden toegerekend aan de rechtspersoon, indien:
de functionaris in kwestie voldoende betrokken is bij het aspect van de rechtsverhouding waarvoor de kennis relevant is; en
het tot de taak van de functionaris behoort om maatregelen te nemen naar aanleiding van die informatie.”
Is de functionaris met de relevante kennis voldoende betrokken, dan hoeft nog slechts aan de hand van zijn taak of functie te worden beoordeeld of de rechtspersoon als wetend geldt. Andere omstandigheden hoeven in beginsel niet in het oordeel te worden meegewogen, althans niet in de motivering van het oordeel te worden betrokken.
203. De taak van de functionaris en diens betrokkenheid zullen veelal samenhangen: iemand zal vaak juist vanwege zijn functie bij een bepaalde rechtsverhouding worden betrokken en bij zijn werkzaamheden ten behoeve van die rechtsverhouding relevante kennis verkrijgen. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Binnen de rechtspersoon kan een functionaris werkzaam zijn die in beginsel heel goed in staat zou zijn om de benodigde maatregelen te treffen naar aanleiding van bij hem aanwezige kennis, maar die niet eens weet van het bestaan van de rechtsverhouding waarover later een geschil ontstaat. Anderzijds kan een functionaris wel werkzaamheden verrichten voor (het te beoordelen aspect van) de rechtsverhouding met de wederpartij, maar niet over voldoende deskundigheid beschikken om de relevantie van déze specifieke informatie in te zien.
204. De achterliggende gedachte van de hoofdregel is dat de betrokkenheid en functie van de functionaris tezamen bepalen in hoeverre van de functionaris verwacht mag worden dat hij de relevantie van zijn kennis voor de situatie inziet. De combinatie van betrokkenheid en functie bepaalt daarmee ook in hoeverre van de functionaris verwacht mag worden dat hij naar aanleiding van zijn kennis maatregelen treft ter bescherming van hetzij de rechtspersoon, hetzij de wederpartij. In par. 2.3 zette ik uiteen dat normen die bepaalde kennis als vereiste stellen, dat steeds doen omdat die kennis een partij in staat stelt om hetzij zichzelf, hetzij de wederpartij op enigerlei wijze te beschermen. Een rechtspersoon is daartoe niet zonder meer in staat wanneer de kennis slechts aanwezig is bij een medewerker van wie, juist vanwege zijn functie of beperkte betrokkenheid, niet redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij de relevantie van de kennis inziet.
205. Bij de beoordeling of het tot de taak van een functionaris behoort om maatregelen te treffen naar aanleiding van de verkregen informatie, heeft de rechter naar mijn mening een vrij ruime marge. Een dergelijke taak hoeft niet in de functie-omschrijving van de functionaris te staan of iets dergelijks.2 De rechter mag meewegen of het treffen van maatregelen geacht mag worden te behoren tot de taken van een functionaris in de positie in kwestie. In die zin ben ik het niet eens met Jansen, die stelt dat de toerekening van kennis door het Hof Den Haag in het eerder besproken arrest van 28 maart 2014 een feitelijk vermoeden inhoudt dat dat de aan de functionaris in de uitoefening van zijn functie verstrekte informatie ook bij de organisatie bekend is geraakt, en dus geen normatief element heeft.3 Wel zal de rechter, mits partijen daarover voldoende stellen, rekening moeten houden met de inhoud die de functie binnen de organisatie van de rechtspersoon daadwerkelijk had; ik ga niet uit van een volledig objectief functie of taakbegrip.
206. De hier geformuleerde hoofdregel zou kunnen worden aangemerkt als een analoge toepassing van art. 3:66 lid 2 BW. Ik zie deze regel echter meer als een uitdrukking van een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan de toerekening van kennis van hulppersonen in het algemeen en daarmee ook aan art. 3:66 lid 2 BW. Daarmee kan de hoofdregel dus ook gekenschetst worden als een invulling of uitdrukking van de verkeersopvattingen. Dit sluit het beste aan bij de lijn in de jurisprudentie. Tjittes lijkt ook op dit spoor te zitten: hij ziet in de spoedige toerekening van gedrag van een functionaris aan een organisatie (waarbij hij refereert aan art. 6:76 en 6:170 BW) een indicatie van de huidige verkeersopvattingen.4 Welke naam men eraan geeft, maakt mij uiteindelijk echter weinig uit.
Is de functionaris met de relevante kennis niet betrokken bij het te beoordelen aspect van de rechtsverhouding of heeft hij geen taak ten aanzien van de relevante informatie, dan wil dat niet zeggen dat zijn kennis nooit kan gelden als kennis van de rechtspersoon. Dan zijn echter aanvullende omstandigheden nodig. Welke omstandigheden dat kunnen zijn, behandel ik in hoofdstuk 9 (Kennisversplintering).