Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.1:7.1 Inleiding
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS600765:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
164. Vaak wordt klakkeloos aangenomen dat de kennis van een functionaris gelijk staat aan die van de rechtspersoon, zonder dat dit wordt gemotiveerd en zonder dat dit gebrek aan motivering als gemis wordt ervaren. Niemand zal bijvoorbeeld in twijfel trekken dat de rechtspersoon op de hoogte is van de adreswijziging van een klant wanneer de klant die wijziging heeft doorgegeven aan de klantenservice. Niemand zal betwisten dat de rechtspersoon een gebrek in een geleverde zaak heeft ontdekt wanneer de inkoopmanager dat gebrek heeft opgemerkt (vanaf dat moment gaat de klachttermijn lopen, art. 7:23 BW). De rechtspersoon zal zonder meer gelden als te kwader trouw bij de ontvangst van een onverschuldigde betaling (art. 6:205 BW) wanneer de medewerker die de bankrekening beheert waarop de betaling wordt ontvangen, weet dat het geld voor een ander is bestemd. Dit zijn wat ik ‘standaardgevallen’ of ‘standaardsituaties’ noem. Grof gesteld zijn dit gevallen waarin de functionaris met de relevante kennis tevens de functionaris is die handelde, of die in elk geval betrokken was bij de situatie waarvoor zijn kennis relevant is. Het standaardgeval staat daarmee tegenover het geval van kennisversplintering, waarin weten en handelen uiteenvallen. De scheidslijn tussen standaardgevallen en gevallen van kennisversplintering is overigens niet heel strak te trekken. Zie daarover par. 9.2. Een preciezere omschrijving van het standaardgeval geef ik in par. 7.7.1. Ook het geval waarin een functionaris op basis van (schijn van) volmachtverlening eenrechtshandeling namens de rechtspersoon verricht, is een standaardgeval, maar dat valt onder het toepassingsbereik van art. 3:66 lid 2 BW.
165. In dit hoofdstuk wordt onderzocht op welke basis kennis in andere standaardgevallen dan die waarin de functionaris een rechtshandeling verricht, kan worden toegerekend aan de rechtspersoon. Doel is om te komen tot een eenvoudige regel aan de hand waarvan in een dergelijk geval kan worden bepaald of de kennis van de functionaris voor rekening moet komen van de rechtspersoon, zonder dat een uitdrukkelijke weging van allerlei omstandigheden is vereist – en zonder dat de rechter die afweging in de motivering van het oordeel hoeft te verwerken. Men zou zich kunnen afvragen wat het nut van deze exercitie is: als er eigenlijk geen geschil over mogelijk is dát de kennis van een functionaris in een standaardgeval toerekenbaar is aan de rechtspersoon, waarom er dan zo veel woorden aan wijden? De eerste reden is dat afbakening nodig is ten opzichte van gevallen van kennisversplintering, waar wél een weging moet plaatsvinden van alle omstandigheden. Een regel over toerekening van kennis in standaardgevallen moet kunnen verklaren waarom bijvoorbeeld, bij de toetsing of de rechtspersoon over een gebrek heeft geklaagd binnen een redelijke termijn na aflevering van de zaak, wél de kennis van de inkoopmanager wordt toegerekend en niet die van een cateringmedewerker. Nauwkeuriger geformuleerd: de regel moet kunnen verklaren waarom als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat de klachttermijn gaat lopen zodra de inkoopmedewerker kennis neemt van het gebrek, terwijl een weging van alle omstandigheden zal moeten plaatsvinden indien wordt vastgesteld dat de cateringmedewerker het gebrek kende lang vóór haar collega’s. De tweede reden voor het onderzoeken van standaardgevallen is dat dit inzicht biedt in wat het toerekenen van kennis aan rechtspersonen eigenlijk behelst. Het maakt het gemakkelijker om te verklaren waarom in een bepaald geval toerekening wel of juist niet gerechtvaardigd is. Het feit dat de verkeersopvattingen de grondslag vormen voor de toerekening van kennis aan rechtspersonen, verhindert naar mijn idee niet dat voor een subcategorie, namelijk standaardgevallen, een regel kan worden geformuleerd.
166. Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd. In par. 7.2 geef ik een paar voorbeelden van standaardgevallen om duidelijker te maken op wat voor situaties ik doel. Vervolgens bespreek ik welke regels in de Nederlandse rechtspraak en literatuur zijn gesuggereerd om kennis van functionarissen in de standaardsituatie toe te rekenen aan rechtspersonen. Die suggesties zijn in de desbetreffende uitspraken en publicaties niet expliciet beperkt tot de standaardsituatie: het onderscheid tussen standaardgeval en kennisversplintering is in Nederland niet gangbaar. Het betreft echter steeds suggesties die gedaan zijn voor situaties die ik beschouw als standaardsituaties. Achtereenvolgens passeren de revue: toerekening van kennis op basis van het enkele werknemerschap van de functionaris (par. 7.3), analoge toepassing van art. 6:76 en 6:170 BW (par. 7.4) en analoge toepassing van 3:66 lid 2 BW (par. 7.5). In het Duitse recht heeft de leer over toerekening van de kennis van hulppersonen zich aanvankelijk – voordat het begrip kennisversplintering (Wissensaufspaltung) postvatte – grotendeels ontwikkeld door analoge toepassing van § 166 BGB, het Duitse equivalent van art. 3:66 lid 2 BW, of van het daarin neergelegde rechtsbeginsel. Par. 7.6 bespreekt die ontwikkeling. Ik bezie mede welke waarde de in Duitsland ontwikkelde begrippen hebben voor het Nederlandse recht (7.6.4).
In par. 7.7 volgt dan een hoofdregel voor toerekening van kennis van functionarissen aan de rechtspersoon in standaardgevallen. Ik laat zien waar die toe leidt in de voorbeelden geschetst in par. 7.2. Par. 7.7.4 licht toe waarom de hoofdregel niet opgaat in gevallen van kennisversplintering De hoofdregel geeft vrij grofmazig weer hoe standaardgevallen moeten worden beoordeeld. In par. 7.8 breng ik diverse verfijningen aan. Par. 7.9 behandelt de invloed van geheimhoudingsplichten op kennistoerekening in standaardgevallen. Toerekening van kennis, althans het rechtsgevolg daarvan, zal soms naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Daarover gaat par. 7.10. De implicaties van de hoofdregel voor de stelplicht en het bewijsrisico van partijen komen aan bod in par. 7.11. Par. 7.12 behandelt tot slot enkele gevallen waarin de hoofdregel buiten toepassing blijft, omdat de toepasselijke norm vraagt om ‘eigen’ kennis van de rechtspersoon. Par. 7.13 bevat de conclusie.
Met ‘functionarissen’ doel ik in dit hoofdstuk op medewerkers van de rechtspersoon die niet tevens (lid van) een orgaan van de rechtspersoon zijn. De toerekening van de kennis van het bestuur en andere organen aan de rechtspersoon in standaardsituaties wordt afzonderlijk behandeld in hoofdstuk 8.