Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.1.1.3.0.a
Fatsoenlijke strafrechtspleging
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS451976:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. A. Margalit (vertaald door J.W. Reitsma), De fatsoenlijke samenleving, Amsterdam: Van Gennep 2001, p. 46-56 en D. Luban, Legal Ethics and Human Dignity, Cambridge: Cambridge University Press 2007, p. 88 e.v.
G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 11-12.
G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 12.
‘[K]eine Handlung nach einer andern Maxime zu thun, als so, daß es auch mit ihr bestehen könne, daß sie ein allgemeines Gesetz sei, und also nur so, daß der Wille durch seine Maxime sich selbst zugleich als allgemein gesetzgebend betrachten könne.‘ I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 422.
J. Rawls, A Theory of Justice, Oxford: Clarendon Press 1972, p. 136 e.v.
Vgl. A. Margalit (vertaald door J.W. Reitsma), De fatsoenlijke samenleving, Amsterdam: Van Gennep 2001, p. 46-56 en D. Luban, Legal Ethics and Human Dignity, Cambridge: Cambridge University Press 2007, p. 88 e.v.
De vraag rijst waaruit die ondergrens moet bestaan. Om daarop uiteindelijk een antwoord te kunnen geven, start dit deel met een uitzetting welk gedrag wel door de beugel kan. Ik haak daarbij aan bij ‘het fatsoen’ dat door strafrechtsfunctionarissen volgens Corstens & Borgers moet worden opgebracht voor de verdachte. Vervolgens wordt aan de hand van the Formula of Universal Law of Nature en the veil of ignorance het fatsoenlijke strafprocesrechtelijk optreden nader geanalyseerd. Uiteindelijk concludeer ik dat een verbod op vernederde behandelingen de grens tussen fatsoenlijk en onfatsoenlijk optreden reguleert.1
Zoals hierboven al beschreven, leggen Corstens & Borgers bij de behandeling van de verdachte de nadruk op het fatsoen van de strafrechtsfunctionarissen.2 In de vorige paragraaf stond het onderdeel dat de verdachte zijn verhaal moet kunnen vertellen centraal. Dan wordt een fatsoenlijk strafrechtspleging bekeken vanuit de positie van de verdachte. Hij dient bepaalde rechten te ontvangen. Het tweede argument dat door de auteurs wordt gegeven, is dat een opsporingsambtenaar, voordat hij een verdachte beperkt in zijn grondrechten, dient te beseffen dat hij, als hij andere keuzes had gemaakt, ook verdachte of dader had kunnen zijn: ‘hoe zouden zij in die positie verkerende hebben geoordeeld over wat zij als strafrechtfunctionarissen nu doen?’3 Hierbij is het gezichtspunt veranderd. Niet langer wordt de fatsoenlijkheid van de strafrechtspleging opgehangen aan de positie van de verdachte, maar aan het gedrag van strafrechtsfunctionarissen. Hoe zij zich ten opzichte van de verdachte gedragen, bepaalt – mede met de inkleuring van de procesrechtelijke positie van de verdachte – of de strafrechtspleging fatsoenlijk is. Een kort voorbeeld om het belang van beide posities te benadrukken. Stel, de verdachte krijgt tijdens het onderzoek alle bevoegdheden en rechten die zijn te bedenken. Alle opgegeven getuige à décharge worden gehoord, de verdachte krijgt zoveel tijd als hij wenst voor de verdediging, bij het horen van de getuigen en het voeren van verweren, waar mogelijk wordt een contra-expertise toegepast, al zijn onderzoekswensen worden vervuld. Vanuit het eerste gezichtspunt – de procesrechtelijke positie van de verdachte – is het een (zeer) fatsoenlijke strafrechtspleging. Stel, daar staat echter tegenover dat de autoriteiten zich bij de opsporingsfase aan geen enkele regel houden. Belastende getuigenverklaringen worden gekocht, bewijsmateriaal wordt in de woning van de verdachte geplaatst door ambtenaren en ‘gevonden’ bij een doorzoeking, er wordt een proces-verbaal opgesteld waarin staat vermeld dat de verdachte bekent en zijn handtekening wordt vervalst. Op zichzelf doen deze gedragingen niet af aan de procesrechtelijke bevoegdheden die de verdachte heeft. Hij kan zelf tegenbewijs aandragen, kan elk bewijs betwisten of tegenonderzoek gelasten. Vanuit het gezichtspunt van het gedrag van de autoriteiten, hoe zij de verdachte (als mens) behandelen, is dit echter een (zeer) onfatsoenlijke strafrechtspleging. Dus het eerbiedigen van de menselijke waardigheid van de verdachte in de strafrechtspleging bestaat ten eerste uit zijn autonome procesrechtelijke positie (zie vorige paragraaf) en ten tweede uit hoe hij door de strafrechtsfunctionarissen wordt behandeld.
Ik ga verder met het fatsoen dat voor de verdachte moet worden opgebracht. Het in de vorige alinea opgenomen citaat lijkt veel op de categorische imperatief the Formula of the Universal Law of Nature van Kant4 en the veil of ignorance van Rawls.5 Vanuit de categorische imperatief: ook voor opsporingsambtenaren geldt dat zij alleen zo moeten handelen zoals zij zelf willen worden behandeld op grond van de algemeen geldende wet, mochten zij verdacht worden van een strafbaar feit. Vanachter de sluier van onwetendheid: als een mens een wettelijke strafvorderlijke bevoegdheid moet creëren maar niet weet welke positie (slachtoffer, verdachte, opsporingsambtenaar, officier, rechter) hij in het proces gaat innemen, dan zal de inhoud het meeste recht doen aan het uitgangspunt van rechtvaardigheid (in dit geval van een evenwichtige toepassing van instrumentaliteit en rechtsbescherming). Dat een verdachte burger fatsoenlijk moet worden behandeld, is het beste te verduidelijken met een gedachtenexperiment waarbij de opsporingsambtenaar zich verplaatst in de positie van de verdachte. Kan de handeling die de overheidsfunctionaris gebruikt om bewijs te vergaren door de beugel of wil hij zelf niet op deze manier worden behandeld? Pas wanneer men zich in de positie van de verdachte verplaatst (en dus de veil of ignorance toepast), wordt duidelijk hoe ingrijpend bepaalde handelingen kunnen zijn. In een fatsoenlijke strafvordering wordt enkel geoorloofde dwang op de verdachte toegepast. Opsporingsinstrumenten zijn immers noodzakelijk voor waarheidsvinding en zonder waarheidsvinding is berechting op basis van onder andere betrouwbaarheid en rechtvaardigheid onmogelijk. Het punt dat moet worden opgelost, is welk gedrag ongeoorloofd is. Van welk gedrag kan iemand niet willen dat strafrechtsfunctionarissen dat gebruiken tegen een verdachte (wetende dat zij zelf mogelijk ook ooit als verdachte worden aangemerkt)? Ongeoorloofd zijn alle handelingen die de verdachte vernederen. Een burger, in dit geval een verdachte (die in een zwakke positie ten opzichte van de overheid en een stressvolle positie verkeert), hoort in fatsoenlijke samenlevingen ten minste niet te worden vernederd.6 Hieronder zet ik uiteen waarom de keuze is gevallen op het begrip ‘vernederen’ en vervolgens wat vernederen volgens mij betekent (waarmee ik het begrip derhalve een autonome betekenis toeken).