Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.4.4:11.4.4 Kennisversplintering – uitgangspunt en nuanceringen
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.4.4
11.4.4 Kennisversplintering – uitgangspunt en nuanceringen
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS601952:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
521. In geval van kennisversplintering dient een weging van alle omstandigheden en relevante gezichtspunten plaats te vinden, zoals omschreven in hoofdstuk 9. In deze subparagraaf is aan de orde of het feit dat de wetende functionaris zijn kennis heeft verkregen uit hoofde van een andere functie, een relevante factor is bij de toerekening van kennis in geval van kennisversplintering.
In geval van kennisversplintering moet altijd eerst worden vastgesteld of de omstandigheden zodanig zijn, dat de wetende functionaris zijn kennis had moeten opslaan of doorgeven. Indien dat het geval zou zijn geweest als de wetende functionaris zijn kennis in zijn huidige functie had verkregen, zal in beginsel niet veel waarde te hoeven gehecht aan het verweer dat de functionaris zijn kennis in een andere functie heeft verkregen. De wetende functionaris kan de kennis die hij in een andere functie heeft verkregen, niet afschudden bij de uitoefening van zijn huidige functie.
Maar ook hier bestaat ruimte voor diverse nuanceringen. Vindt het verzuim van de functionaris om zijn relevante kennis op te slaan zijn oorsprong in een zekere loyaliteit of in het idee dat de rechtspersoon de informatie niet zelf ‘verdiend’ heeft, dan kan dit een reden zijn voor terughoudendheid bij het toerekenen van die kennis, meer dan in het standaardgeval. Dit hangt samen met de slechte beheersbaarheid voor de rechtspersoon van het risico dat de functionaris de kennis voor zichzelf houdt. Zie over het gewicht dat aan dit gezichtspunt toekomt par. 11.3.5 hiervoor. Een tweede nuancering doet zich gelden in geval van een geheimhoudingsplicht. Is de functionaris jegens zijn andere of vorige werkgever of opdrachtgever verplicht tot geheimhouding van de informatie in kwestie, dan heeft zijn kennis in beginsel niet te gelden als die van de rechtspersoon. Ook indien de functionaris bijvoorbeeld reden heeft om te vrezen dat hij een derde schade toe zal brengen of in gevaar zal brengen door zijn kennis op te slaan of door te geven aan de handelende functionaris, kan er reden zijn om zijn kennis niet aan de rechtspersoon toe te rekenen. Wel mag in een dergelijk geval soms worden verwacht dat de functionaris alternatieven zoekt, dat wil zeggen dat hij de maatregelen treft die mogelijk zijn ter bescherming van de wederpartij zonder dat een geheimhoudingsplicht wordt geschonden of belangen van derden worden geschaad. Bestaat een dergelijke plicht tot het nemen van maatregelen en laat de functionaris die achterwege, dan kan de rechtspersoon worden behandeld alsof hij de relevante kennis had. Deze overwegingen kwamen hiervoor al aan de orde bij de bespreking van het standaardgeval.