Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.4.3:III.5.4.3 IJkpunt gelijkheid
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.4.3
III.5.4.3 IJkpunt gelijkheid
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS456762:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
J.H. Gerards, ‘Proportionaliteit en gelijke behandeling’, in: A. Nieuwenhuis, B. Schueler & C. Zoethout (red.), Het proportionaliteitsbeginsel in het publiekrecht, Deventer: Kluwer 2005, p. 81.
Vgl. EHRM 24 februari 2015, appl. no. 30587/13, r.o. 73 (Karaahmed vs. Bulgarije), waarin het Hof oordeelt dat discriminatoire behandeling de menselijke waardigheid kan schenden als het mininum level of severity wordt bereikt omdat zo’n soort behandeling vernederend is.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Elk mens maakt aanspraak op respect voor zijn menselijke waardigheid, die iedereen in gelijke mate toekomt. Mensen zijn gelijk, dus moeten ook gelijk worden behandeld.1 Vernederen (het verlagen van een capaciteit) is een ongelijke behandeling – de ene vernedert dan namelijk een ander – en dus een schending van de menselijke waardigheid.2 Daarnaast is het bieden van ongelijke mogelijkheden mijns inziens op twee manieren een aantasting van de menselijke waardigheid, namelijk doordat de verdachte dan niet als mens met gelijke capaciteiten wordt gezien en dat hij door de ongelijke mogelijkheden niet zijn verhaal kan vertellen. In deze zin is schending van waardigheid-als-gelijkheid een aantasting van de intrinsieke eer omdat het de inherente menselijke gelijkheid negeert en dat is vernederd. Daarnaast is waardigheid-als-gelijkheid een voorwaarde voor waardigheid-als-autonomie. Met ongerechtvaardigde ongelijkheid is het niet of slechts in beperkte mate mogelijk gebruik te maken van waardigheid-als-autonomie.
Voor het strafprocesrecht zijn op grond van deze verbanden tussen de drie ijkpunten twee gelijkheidsonderwerpen van belang: (1) de toepassing van een dwangmiddel mag niet op basis van discriminatoire gronden plaatsvinden en (2) de verdediging moet niet in ongerechtvaardigde ongelijke positie ten opzichte van de aanklager worden geplaatst. De basis voor de afname van de GKT moet, zoals voor alle opsporingsmethoden, worden gevonden in een objectiveerbare, geconcretiseerde en geïndividualiseerde verdenking tegen een persoon. Uit feiten en omstandigheden moet een bepaalde mate van verdenking tegen de verdachte zijn gerezen. Het discriminatoir toepassen van opsporingsmethoden is een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling die de inherente en aan elk persoon in gelijke mate toekomende intrinsieke eer aantast.
Daarnaast hoort aan de verdediging in bepaalde mate gelijke processuele rechten worden toegekend. Een bepaalde mate van gelijkheid tussen procespartijen is noodzakelijk zodat ook de verdediging onafhankelijk en op grond van eigen afwegingen hun positie in het proces kunnen bepalen. Ik splits dit nader op in gelijkheid tijdens het opsporingsonderzoek en gelijkheid tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Wat betreft de toepassing van de GKT als opsporingsmethode houdt dit in dat enige vorm van tegenonderzoek mogelijk moet zijn. (Neuro)geheugendetectie is een betrouwbare, wetenschappelijke onderzoeksmethode maar het resultaat van de test moet door de onderzoeker worden geïnterpreteerd. Dit betekent, voornamelijk bij grensgevallen, dat twee van elkaar onafhankelijke deskundigen de resultaten eventueel anders interpreteren. De verdediging moet derhalve ten minste de kans worden geboden om de resultaten van de test door een tweede deskundige te laten beoordelen. Indien mogelijk kan ook een tweede, volledige GKT worden afgenomen. Hiervoor dienen echter voldoende items aanwezig te zijn waarover de verdachte naïef is. Dit zal naarmate het onderzoek vordert minder waarschijnlijk zijn. Om een beredeneerde keuze te maken of een contra-expertise wenselijk is, is inzage in en analyse van het GKT-rapport noodzakelijk. De rapportage dient, om tegenonderzoek mogelijk te maken zonder dat lekkage een onoverkomelijk probleem wordt, zo snel als het opsporingsonderzoek het toelaat aan de verdediging te worden verstrekt. Kortom, waardigheid-als-gelijkheid in de opsporingsfase betekent wat betreft de inzet van de GKT dat de verdediging (1) (zo snel mogelijk) inzage krijgt in het verslag en de resultaten van de afname en (2) een contra-expertise kan gelasten zodat daarmee waardigheid-als-autonomie wordt bevorderd.
Ook wat betreft het onderzoek ter terechtzitting moet de verdediging niet in een ongerechtvaardigde ongelijke positie ten opzichte van de aanklager worden geplaatst. Voor de GKT betekent dit dat weinig bijzondere regels moeten worden geïntroduceerd. Het huidige stelsels biedt voldoende mogelijkheden voor de verdediging om in redelijkheid standpunten betreffende het verwijt en het bewijs in te kunnen nemen. Om de betrouwbaarheid van de afname van de GKT te kunnen betwisten, is echter wel een bepaalde manier van verslaglegging van het verhoor noodzakelijk (zie uitgebreid hoofdstuk 3 paragraaf 3.4). Alleen als aan deze formele voorwaarde is voldaan, kan in redelijkheid een standpunt over de betrouwbaarheid van de GKT worden ingenomen. Over de onderwerpen die in de GKT worden gebruikt, moet de onschuldige verdachte naïef zijn. Met andere woorden, alleen de dader moet de correcte antwoorden herkennen. Voor het verhoor levert dit de beperking op dat niet kan worden geconfronteerd met andere resultaten uit het opsporingsonderzoek. Als de onschuldige verdachte tijdens het verhoor namelijk wordt geconfronteerd met feiten over het delict dan verkrijgt hij daderkennis. De GKT kan slechts onderscheid maken tussen personen met en zonder daderkennis en niet op de wijze van vergaring van de daderkennis bij personen. Om de betrouwbaarheid van de GKT op de voorwaarde van naïviteit te kunnen controleren, is het noodzakelijk dat alle verhoren verbatim worden uitgewerkt. Alleen dan kan worden nagegaan of de verdachte bij elk item op de GKT onwetend was. Op zichzelf is de woordelijke uitwerking van verhoren geen noodzakelijke voorwaarde voor waardigheid-als-gelijkheid, maar wel voor het in redelijkheid kunnen betwisten van de resultaten van de inzet van een bepaalde opsporingsbevoegdheid.
Samenvattend, de intrinsieke eer als onderdeel van de menselijke waardigheid verbiedt gedragingen die verdachtes zelfrespect aantasten, die gevoelens van angst en inferioriteit oproepen, die hem vernederen. Mijns inziens is de omzeiling van de wil, door onder dwang herinneringen te moeten openbaren die niet op een andere manier zijn geopenbaard en op geen enkele andere manier in strijd met de wil van de verdachte door de autoriteiten kunnen worden bemachtigd, vernederend en een schending van de autonome keuze. Met de mogelijkheid die (neuro)geheugendetectie biedt, is de eerste stap gezet naar een Orwelliaanse samenleving waarin gedachten niet vrij zijn en waar persoonlijke herinneringen niet geheim kunnen worden gehouden. Vervolgens, om te voldoen aan waardigheid-als-gelijkheid in de strafvordering wanneer de GKT op de verdachte wordt afgenomen, is het noodzakelijk dat (1) de test niet op discriminatoire gronden wordt afgenomen; (2) de verdediging (zo snel mogelijk) inzage krijgt in het verslag en de resultaten van de afname om (3) een contra-expertise te kunnen gelasten en; (4) de inzage krijgt in de verbatim uitgewerkte verhoorverslagen zodat (5) het resultaat van de GKT kan worden gecontroleerd op zijn betrouwbaarheid.