Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.6.2
7.6.2 Rechtspraak over analoge toepassing van § 166 BGB
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS596143:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De goederenrechtelijke overeenkomst (Einigung) werd niet gesloten door de werknemer, maar door een ander. De werknemer was een zogenoemde Bezitsdiener. Uit § 855 BGB volgt dat wanneer iemand de feitelijke macht over een zaak uitoefent in andermans huishouding of bedrijf op grond van een zodanige verhouding dat hij zich naar de aanwijzingen van die ander te richten heeft, hij slechts Bezitsdiener is. Uitsluitend de genoemde ander is Besitzer (bezitter of houder); de Bezitsdiener ‘valt er tussenuit’ net zoals een gevolmachtigde er in contractuele verhoudingen tussenuit valt. Zie Rank-Berenschot in Snijders e.a. 1996, p. 532.
De loketbediende was Bezitsdiener, zie voetnoot 483.
Geval vi betrof naar Duits recht de vraag of de bank te goeder trouw eigenaar was geworden van de cheque.
191. Het BGH paste § 166 BGB of het daarin neergelegde beginsel onder meer toe in de volgende gevallen.
Een werknemer van een groothandel geeft de inkoopmanager daarvan een tip voor de aankoop van meetinstrumenten. De werknemer weet dat deze gestolen zijn, de inkoopmanager niet. De inkoopmanager gaat akkoord met de aankoop. De werknemer is geen gevolmachtigde, maar neemt feitelijk de goederen in ontvangst.1 De bestolene spreekt de groothandel aan tot schadevergoeding op grond van § 990 BGB. Naar Duits recht is dit een goederenrechtelijke aanspraak, die slechts kan ontstaan indien de bezitter niet te goeder trouw was. Het BGH rekent de ontbrekende goede trouw bij de werknemer toe aan de groothandel. § 166 BGB kan analoog worden toegepast wanneer de bezitter (de groothandel) door zijn eigen gedraging (net zoals een volmachtgever doet door middel van het afgeven van een volmacht) de situatie in het leven roept dat de hulppersoon ten behoeve van de bezitter actief is geworden (en dus goederen in ontvangst neemt). Ter vermijding van onbillijkheid moet dit geval op dezelfde wijze worden beoordeeld als gevallen van volmacht, aldus het BGH.2
Naar Duits gewoonterecht geldt dat wanneer een koopman na onderhandelingen over een transactie aan zijn wederpartij een bevestigingsbrief zendt, die ander aan de afspraak in de bevestigingsbrief is gebonden indien hij daarop niet reageert (zwijgen = toestemmen). Deze regel geldt, tenzij de inhoud van de bevestigingsbrief zodanig afwijkt van het besprokene, dat de verzender van de brief niet op basis van het enkele zwijgen van de wederpartij mag rekenen op diens instemming. In casu voerde een vertegenwoordiger van de koopman de onderhandelingen, en stuurde de koopman zelf de bevestigingsbrief. De koopman wist niet dat de inhoud daarvan sterk afweek van het besprokene; de vertegenwoordiger wist dat wel. De kennis van de vertegenwoordiger werd toegerekend aan de koopman, ook al had de vertegenwoordiger geen rechtshandeling verricht. Volgens het BGH moet iemand die zich in het rechtsverkeer van de hulp van anderen bedient en de voordelen daarvan voor zich laat gelden, de nadelen daarvan op de koop toenemen. Hij mag niet zijn eigen handen schoon houden terwijl hij anderen hun handen voor hem laat vuilmaken. Ondersteuning voor die visie vindt het BGH in § 166 lid 1 BGB.3
Crediteur C zorgt ervoor dat zijn werknemer W als vertrouwensman van C enig bedrijfsleider wordt van debiteur D. D vestigt vervolgens een zekerheidsrecht ten behoeve van C; bedrijfsleider W was daarbij niet rechtstreeks betrokken. Na het faillissement van D vernietigt de curator de vestiging van het zekerheidsrecht. Het BGHpast § 166 lid 1 BGB analoog toe. W was bij de vestiging van de zekerheid weliswaar niet de vertegenwoordiger van D, maar oefende wel in zijn plaats en in zijn belang een functie uit die C tot voordeel strekte omdat C via W een informatievoorsprong kreeg. Dan is het niet onbillijk om C daarvan ook de nadelen te laten dragen en W’s wetenschap van benadeling toe te rekenen aan C.4
De kwade trouw van de architect die de leiding heeft over de bouw is in geval van overbouw (§ 912 BGB, vgl. art. 5:54 lid 3 BW) toe te rekenen aan de eigenaar/ opdrachtgever door analoge toepassing van § 166 BGB, ook al verricht de architect geen rechtshandeling.5
Een interne bedrijfscontroleur ontdekt dat de bedrijfsleider van een rechtspersoon fraude heeft gepleegd: de bedrijfsleider heeft de rechtspersoon ten onrechte geen sociale premies laten afdragen voor diverse werknemers. De rechtspersoon vordert schadevergoeding van de bedrijfsleider. Die beroept zich op verjaring. Een dergelijke rechtsvordering verjaart drie jaar nadat de rechtspersoon kennis heeft gekregen van de schade en de aansprakelijke persoon.6 De rechtspersoon stelt dat de verjaringstermijn start op het moment dat de afdeling die belast is met het innen van vorderingen, de kennis kreeg die nodig was voor het instellen van de rechtsvordering. Volgens het BGH maakt het feit dat de bevoegdheid tot het instellen van deze vordering bij de incassoafdeling van de rechtspersoon lag, niet dat de verjaringstermijn pas gaat lopen wanneer men op die afdeling kennis krijgt van de relevante feiten. De afdeling bedrijfsonderzoek, waartoe de interne controleur behoorde, was eveneens met de vordering belast: zij moest de feitelijke gronden daarvoor ophelderen, een beslissing nemen over het al dan niet inschakelen van de incassoafdeling en zich daarbij ook een mening vormen over de persoonlijke verantwoordelijkheid van de functionaris.7 De rechtsvordering was dus verjaard.
Een loketbediende van een bank neemt een cheque in ontvangst. Naar Duits recht geldt de inontvangstneming niet als een rechtshandeling van de loketbediende, maar als enkele bezitsverkrijging.8 Over het vakje op de cheque waar de begunstigde moet worden ingevuld, is een sticker geplakt met andere gegevens dan de oorspronkelijke. De loketbediende zendt de cheque door aan de betalingsafdeling van de bank, waar de betaling automatisch wordt verwerkt. De loketbediende was ‘grof nalatig onwetend’ door geen nader onderzoek te verrichten. Zijn grof nalatige onwetendheid bij de bezitsverkrijging wordt naar analogie met § 166 BGB toegerekend aan de bank.9
Zoals uit het voorgaande kan worden afgeleid, past het BGH § 166 BGB niet uitsluitend analoog toe op het gebied van rechtshandelingen (gevallen ii en iii), maar ook op dat van het goederenrecht (gevallen i, iv en vi10 ). Bij verjaring focust het BGH op de betrokkenheid van de functionaris bij de handelingen die moeten worden verricht om de vordering te gelde te maken (geval v).