Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.3.2
III.10.3.2 Gronden voor intrekking
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS380170:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3.9 lid 3 Wabo jo paragraaf 4.1.3.3 Awb.
Art. 4:20b lid 1 Awb bepaalt immers dat bij het ongebruikt verstrijken van de beslistermijn de gevraagde (cursief: BdK) van rechtswege is gegeven.
Ervan uitgaande dat een aanvraag niet altijd in overeenstemming met het recht zal zijn.
Vgl. onder meer Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 8, p. 10.
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28916, nr. 2 (de artt. 3.12 onder b en 3.14 van het wetsvoorstel Wro creëren een bevoegdheid om een aanleg-, respectievelijk sloopvergunning in te trekken indien deze had moeten worden geweigerd dan wel aangehouden). Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het in dit wetsvoorstel ook andere gronden voor intrekking waren opgenomen. Zie voorts Kamerstukken II 2006/07, 30938, nr. 2 (art. 8.17K van het wetsvoorstel Invoeringswet Wro creëert een bevoegdheid om een bouwvergunning in te trekken indien deze had moeten worden geweigerd dan wel aangehouden). Zie voor kritiek op deze wetsvoorstellen Hoekstra 2004 en Hoekstra 2007.
Bijvoorbeeld doordat na intrekking (nog) een handhavingsbesluit werd genomen, zoals een last onder bestuursdwang.
Kamerstukken II 2007/08, 30938, nr. 15. De toelichting bij dit amendement geeft geen duidelijkheid over de vraag of eenzelfde redenering voor de aanleg- en sloopvergunning geldt. Immers, ook ten aanzien van deze vergunningen werd de intrekkingsbevoegdheid wegens onrechtmatigheid geschrapt. Zie onderdeel II.
ARRvS 23 december 1981, BR 1982, p. 405 en ABRvS 15 juli 2009, Gst. 2009/119 m.nt. Nijmeijer onder nr. 120. Wanneer een bouwvergunning was verleend in strijd met bijvoorbeeld het Bouwbesluit 2003 (per 1 april 2012: Bouwbesluit 2012), leidde dit er niet toe dat jegens de vergunninghouder handhavend kon worden opgetreden. De bouwvergunning prevaleerde. Zie Kamerstukken II 2004/05, 29392, nr. 10, p. 4. Vgl. ook het huidige art. 1b Wonw.
De meeste intrekkingsgronden die zijn opgenomen in de Wabo zien op juiste omgevingsvergunningen, dat wil zeggen omgevingsvergunningen die in overeenstemming met het recht zijn verleend. Een typisch voorbeeld is art. 2.33 lid 2 onder e Wabo: intrekking van een omgevingsvergunning voor onder andere het slopen of verstoren van een beschermd monument (art. 2.1 lid 1 aanhef en onder f Wabo) kan geschieden indien de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd dat het belang van de monumentenzorg zwaarder moet wegen. De mogelijkheden om een onjuiste omgevingsvergunning in te trekken zijn beperkt. In de eerste plaats kan op grond van art. 5.19 lid 1 aanhef en onder a Wabo een omgevingsvergunning worden ingetrokken indien deze is verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave. Deze grond ziet dus enkel op de situatie waarin de onjuistheid is ontstaan door toedoen van de geadresseerde. Daarnaast kunnen onder de Wabo omgevingsvergunningen van rechtswege ontstaan.1 Nu deze vergunningen worden verleend conform de aanvraag,2 bestaat het risico dat met het recht strijdige vergunningen ontstaan.3 Dat betekent echter niet dat een fictieve omgevingsvergunning kan worden ingetrokken vanwege het enkele feit dat deze onjuist is. Op grond van de artikelen 2.31 lid 1 onder c jo 2.33 lid 1 onder e Wabo bestaat slechts een verplichting tot wijziging respectievelijk intrekking indien sprake is van ‘ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving.4
Intrekking uitsluitend op grond van onjuistheid van de omgevingsvergunning (dus anders dan onjuistheid vanwege het feit dat de geadresseerde onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt) lijkt onder de Wabo uitgesloten. In de eerste plaats bevat de Wabo niet een daartoe strekkende intrekkingsgrond. Daar komt bij dat de intrekkingsregeling in de Wabo limitatief is. Er bestaat dan ook geen ruimte voor het aannemen van een aanvullende ongeschreven intrekkingsgrond voor de situatie waarin de omgevingsvergunning onjuist is, bijvoorbeeld omdat het bevoegde bestuursorgaan een fout heeft gemaakt bij verlening van de vergunning. Voorts ligt het niet voor de hand dat een dergelijke intrekkingsgrond kan worden ‘ingelezen’ in een bestaande wettelijke intrekkingsgrond. Een argument daarvoor kan worden gevonden in het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Wabo. In het wetsvoorstel voor een Wet ruimtelijke ordening en het wetsvoorstel voor een Invoeringswet Wro was onder meer een bevoegdheid opgenomen om een aanleg- of sloopvergunning, respectievelijk een bouwvergunning in te trekken indien deze in strijd met een weigerings- of aanhoudingsgrond was verleend.5 De reden daarvoor was dat deze vergunningen slechts door vernietiging6 konden worden aangetast. Echter, deze vernietiging werd maar zelden geëffectueerd. Dat wil zeggen dat wanneer een vergunning werd vernietigd, de reeds met de vergunning verrichte handelingen maar zelden on gedaan werden gemaakt.7 De uitkomst van een vernietigingsprocedure werd om die reden vaak als teleurstellend ervaren.8 Deze intrekkingsgrond is echter later naar aanleiding van een amendement weer geschrapt. Gelet op de grote gevolgen die de intrekking kan hebben voor de vergunninghouder, bijvoorbeeld omdat bouwprojecten regelmatig gepaard gaan met onroerendgoedtransacties, werd de mogelijkheid tot intrekking van een onjuiste bouwvergunning destijds niet wenselijk geacht.9 Hierin kan mijns inziens een argument worden gevonden voor het oordeel dat onder de Wabo geen grond bestaat om een omgevingsvergunning in te trekken vanwege het enkele feit dat deze in strijd met wettelijke voorschriften is verleend.
Verder kan worden gewezen op jurisprudentie van voor inwerkingtreding van de Wabo inzake de intrekking van de bouwvergunning. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft diverse malen overwogen dat van de intrekkingsbevoegdheid van art. 59 Wonw (oud) geen gebruik mag worden gemaakt om door het bestuursorgaan in het kader van de aanvraag gemaakte fouten te herstellen.10
De vraag is in hoeverre een en ander bezwaarlijk is. Hoewel het begrijpelijk is dat onder omstandigheden de gevolgen van een intrekking voor de geadresseerde fors zijn, vraag ik mij af of dat een voldoende reden is om intrekking vanwege onjuistheid van de omgevingsvergunning in het geheel niet mogelijk te maken. Immers, veelal is sprake van discretionaire bevoegdheden tot intrekking, zodat in het individuele geval een afweging kan worden gemaakt. De belangen van de geadresseerde kunnen daarin worden meegenomen. Per geval kan dan worden besloten al dan niet tot intrekking over te gegaan. Europeesrechtelijk zal het ontbreken van een grond voor intrekking ingeval van onrechtmatigheid van de omgevingsvergunning naar mijn inschatting niet snel tot problemen leiden, nu art. 2.33 lid 1 onder a Wabo voor die situatie een voorziening treft.