Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.3.3
III.10.3.3 Soorten omgevingsvergunningen
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS378948:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
De memorie van toelichting noemt als voorbeeld van een aflopende activiteit het bouwen van een bouwwerk. Zie Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 22. Zoals reeds opgemerkt heeft de omgevingsvergunning om te bouwen ook een element van een duurbeschikking, gelet op hetgeen is bepaald in art. 2.3a lid 1 Wabo. Vgl. ook Nijmeijer in AB 2010/275. De wetgever nuanceert een en ander als volgt. Opgemerkt wordt dat in die gevallen een omgevingsvergunning nodig is voor het verrichten van die betreffende activiteit, maar niet voor het in stand laten van de met de activiteit gerealiseerde toestand.
De Waard en Oortwijn 2014, p. 57.
Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 22. Zie over het aflopende karakter van de omgevingsvergunning om te bouwen hetgeen in de vorige voetnoot is opgemerkt in relatie tot art. 2.3a lid 1 Wabo.
Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 22-23.
Niet iedere overtreding zal tot een intrekking leiden. Betreft het bijvoorbeeld het niet naleven van een controlevoorschrift, maar is de activiteit voor het overige conform de vergunning uitgevoerd, dan ligt een intrekking niet voor de hand. Zie ook Van Buuren e.a. 2014, p. 196. Zij stellen dat op grond van art. 3:4 lid 2 Awb steeds dient te worden nagegaan of met een andere bestuursrechtelijke sanctie kan worden volstaan.
Namelijk vergunningen voor de activiteiten genoemd in art. 2.1 lid 1 onder d en e Wabo.
Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 9, p. 21. Ook hier wordt weer opgemerkt dat de vergunning om te bouwen ook duurelementen bevat.
Van den Broek en Dresden 2010, p. 73.
Art. 2.30 lid 2 jo 2.31 lid 1 onder b Wabo. Wanneer in de inrichting niet de beste beschikbare technieken worden toegepast, kan de vergunning uiteindelijk worden ingetrokken. Vgl. art. 2.33 lid 1 onder b Wabo.
In paragraaf 5.2 is onderscheid gemaakt tussen aflopende beschikkingen en duurbeschikkingen. In deze paragraaf is dit onderscheid tevens genuanceerd. Een omgevingsvergunning kan zowel een aflopend, een voortdurend dan wel een gemengd karakter hebben. Een en ander hangt samen met het feit dat een omgevingsvergunning kan zien op verschillende soorten activiteiten.
De omgevingsvergunning heeft een aflopend karakter indien deze is gericht op een aflopend rechtsgevolg. Gedacht kan worden aan het oprichten van een inrichting (art. 2.1 lid 1 aanhef en onder e nr. 1 Wabo) of vellen van een houtopstand (art. 2.2 lid 1 aanhef en onder g Wabo).1 Een dergelijke vergunning expireert nadat de activiteit waarvoor de vergunning werd verleend, is verricht.2 Over het aflopende karakter valt in de memorie van toelichting te lezen:
‘De omgevingsvergunning is ingevolge artikel 2.1 alleen voor het verrichten van de betreffende activiteiten vereist, niet voor het verder in stand laten van de met de activiteit gerealiseerde toestand.’3
Bij dergelijke activiteiten, aldus de memorie van toelichting, geldt dat de omgevingsvergunning zijn werking verliest (expireert) indien de betreffende activiteit is voltooid.4 Een en ander wordt genuanceerd wat betreft de situatie waarin aan een omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden, die ook na afloop van de vergunde activiteit van betekenis zijn.5
Het expireren van de vergunning leidt er volgens de memorie van toelichting niet toe dat niet meer handhavend kan worden opgetreden tegen een door de vergunninghouder begane overtreding.6 Ook nadat de vergunning is uitgewerkt kan aldus tot intrekking worden overgegaan.7
De bevoegdheid om de voorschriften verbonden aan een omgevingsvergunning te kunnen wijzigen op grond van art. 2.31 lid 2 Wabo is wel beperkt wanneer het een omgevingsvergunning voor een aflopende activiteit betreft. In sub a en b van genoemde bepaling is slechts een wijzigingsbevoegdheid neergelegd ten aanzien van omgevingsvergunningen voor duuractiviteiten.8 In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat geen wijzigingsbevoegdheid voor bijvoorbeeld het bouwen of slopen van een bouwwerk is opgenomen, nu het gaat om aflopende activiteiten.9 Kennelijk wordt een wijzigingsbevoegdheid in die gevallen niet nodig geacht. De gedachte lijkt te zijn dat een wijziging van de voorschriften nadat de activiteit is verricht weinig zinvol is, nu de activiteit reeds heeft plaatsgevonden.
Ten aanzien van omgevingsvergunningen die gericht zijn op een duurzaam rechtsgevolg kan worden gewezen op art. 2.23 lid 1 Wabo. Deze bepaling luidt:
‘In een omgevingsvergunning voor een voortdurende activiteit kan worden bepaald dat zij, voor zover zij betrekking heeft op die activiteit, geldt voor een daarbij aangegeven termijn.’
Een definitie van het begrip voortdurende activiteiten geeft de Wabo niet. In de memorie van toelichting worden enkele voorbeelden gegeven, zoals het planologisch gebruik en het in werking hebben van een inrichting.10
Op grond van voornoemde bepaling kan een omgevingsvergunning voor een voortdurende activiteit worden verleend voor een beperkte periode (in plaats van voor onbepaalde tijd). Via deze weg hoeft geen intrekkingsbesluit te worden genomen alvorens de looptijd van de omgevingsvergunning kan worden beëindigd.11 Wanneer de geldingsduur van een omgevingsvergunning is beperkt op grond van art. 2.23 Wabo is geen sprake meer van een duurbeschikking als omschreven in paragraaf 5.2.2.2. Immers, de vergunning is gericht op een aflopend rechtsgevolg, omdat de activiteit slechts gedurende een bepaalde periode is toegestaan. Na het verstrijken van de geldingsduur dient de activiteit in beginsel te worden beëindigd (behoudens de situatie waarin opnieuw een vergunning wordt verleend).
Wat opvalt bij bestudering van de intrekkingsgronden die gelden voor deze activiteit is dat een vorm van voortdurend toezicht inherent wordt geacht aan het in werking zijn van de vergunning. Dit heeft tot gevolg dat de vergunning gedurende de periode dat deze in werking is, door het bevoegd gezag kan worden aangetast. Te wijzen valt bijvoorbeeld op de in paragraaf 5.2.2.2 besproken actualiseringsplicht.12