Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.2.0
III.6.2.0 Introductie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS454392:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de overlapping privé- en familieleven bijvoorbeeld EHRM 6 juni 2013, appl. no. 18071/05, r.o. 208 (Maskhadova en anderen vs. Rusland) en EHRM 6 juni 2013, appl. no. 38450/05, r.o. 117 (Sabanchiyeva en anderen vs. Rusland) en EHRM 16 januari 2014, appl. no. 7988/09, r.o. 67 (Zalov & Kakhulova vs. Rusland). Zie voor de overlapping privéleven en woning bijvoorbeeld EHRM 30 maart 1989, appl. no. 10481/83, r.o. 51 (Chappell vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 25 juli 2013, appl. no. 27183/04, r.o. 134 (Rousk vs. Zweden).Zie voor de overlapping privéleven en correspondentie bijvoorbeeld EHRM 24 april 1990, appl. no. 11105/84, r.o. 25 (Huvig vs. Frankrijk) en EHRM 3 april 2007, appl. no. 62617/00, r.o. 41 (Copland vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 31 juli 2012, appl. no. 36662/04, r.o. 52 (Draksas vs. Litouwen).
Zie letterlijk EHRM (GK) 19 februari 1998, appl. no. 14967/89, r.o. 57 (Guerra en anderen vs. Italië): ‘The Court’s task is to determine whether Article 8 is applicable and, if so, whether it has been infringed.’
Artikel 8 EVRM bevat het recht op respect voor privacy. Zoals hierboven is beschreven is het normatieve begrip ‘privacy’ ruim en vaag. Dit geldt natuurlijk ook voor het recht op respect voor ‘privacy’. In het EVRM is geen definitie van dat begrip te vinden. Artikel 8 EVRM bepaalt slechts:
‘(1) Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. (2) Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’
Het artikel onderscheidt vier onderdelen van privacy, die het begrip enigszins verduidelijken. Maar ook de begrippen ‘privéleven’, ‘familieleven’, ‘woning’ en ‘correspondentie’ maken niet direct duidelijk wat precies wordt beschermd (al zijn de laatste twee onderdelen beperkter en daardoor duidelijker). Valt gedrag tussen twee geliefden dat in het openbaar plaatsvindt onder ‘privéleven’ of vallen onder dat begrip enkel gedragingen die in de beslotenheid zijn verricht? Met andere woorden, betekent privé zoals dat in artikel 8 EVRM is opgenomen ‘besloten, exclusief’ en/of ‘bij een persoon horend’? Wordt het illegaal bewonen van een pand ook beschermd onder de term ‘woning’? Vallen moderne communicatiemiddelen onder het concept correspondentie of is de uitleg van dat begrip beperkt tot schriftelijke brieven? Relevant voor de GKT: moet het begrip privéleven zo worden opgevat dat ook iemands herinneringen of hetgeen hij op dat moment denkt onder dat begrip vallen?
Deze paragraaf bevat een analyse van hoe het EHRM artikel 8 EVRM uitlegt en toepast. Achtereenvolgens worden in deze paragraaf aan de hand van de jurisprudentie van het EHRM de begrippen privéleven, familieleven, woning en correspondentie uit lid 1 uitgewerkt. Nadere beschrijving van deze begrippen is essentieel omdat deze samen de omvang en reikwijdte van het recht op respect voor privacy bepalen. Hierbij wordt de meeste aandacht besteed aan het onderdeel ‘privéleven’. Ten eerste omdat dit begrip voor de toetsing van de GKT het meest belangrijk is, zoals aanstonds zal blijken. Ten tweede omdat het begrip het ruimste van de vier onderdelen is en de inmenging in het familieleven, woning of correspondentie ook een inmenging in het privéleven inhoudt.1 Vervolgens wordt beschreven wanneer sprake is van het niet respecteren van deze onderdelen, met andere woorden wanneer er een inbreuk op het recht op privacy plaatsvindt. Dit gebeurt aan de hand van de ‘reasonable expectation of privacy’-toets. Voor deze behandelingsvolgorde – bepalen van de vier facetten van het recht op privacy en vervolgens of daarop een inbreuk is gemaakt – is gekozen omdat dit ook de volgorde is die het EHRM hanteert.2 Daarna wordt lid 2 uitgewerkt. Een inbreuk op het recht op privacy kan volgens dit bovengenoemde lid namelijk zijn gerechtvaardigd als (1) de inbreuk in overeenstemming met een wettelijke bepaling plaatsvindt; (2) een legitiem doel nastreeft en; (3) noodzakelijk is in een democratische samenleving. De navolgende bespreking van de jurisprudentie over het recht op respect voor privacy is noodzakelijk om een positiefrechtelijk toetsingskader te kunnen opstellen en daarmee een antwoord te formuleren op de tweede deelvraag van dit hoofdstuk: op welke wijze wordt het recht op respect voor privacy door het EHRM uitgelegd?