Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.1
5.1 Inleiding
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS386781:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In dit proefschrift zal het begrip ‘organisatiestructuur’ vanuit juridisch oogpunt benaderd worden (en dus niet vanuit bijvoorbeeld de optiek van de organisatiekunde).
Zaman 2008, p. 25.
In dit hoofdstuk zal derhalve geen aandacht worden besteed aan de externe verhoudingen (vertegenwoordiging en aansprakelijkheid) van de verschillende rechtsvormen. De focus ligt uitsluitend op de interne verhoudingen binnen de juridische organisatiestructuur. Voor een beschrijving van de externe verhoudingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3.
De Waard 2003, p. 39.
Van Veen e.a. 2013, De Waard 2013, p. 39, Kroeze, Timmerman & Wezeman 2013, p. 1, Dorresteijn & Van het Kaar 2012, Tervoort 2012, Zaman 2008, McCahery & Vermeulen 2005, noot 28.
Slagter, GS Personenassociaties 2 (cursivering SvdW).
Tervoort 2012.
Verricht door Van Veen e.a. en bestaande uit een empirisch onderzoek onder beroepsbeoefenaren naar de ervaringen met de huidige regeling van de personenvennootschappen en de in de praktijk levende behoeften.
Van Veen e.a. 2013, p. 15.
Zaman & Grapperhaus 2011, p. 9.
Zoals in hoofdstuk 1 en 2 beschreven werd, wordt in dit proefschrift onder de juridische1 organisatie van de rechtsvorm verstaan: de juridische structuur van de rechtsvorm, door Zaman ook wel aangeduid als het specifieke rechtskarakter van de rechtsvorm.2 In dit hoofdstuk zullen de interne structuren (rechtskaraktertrekken) van de verschillende (in dit onderzoek betrokken) rechtsvormen worden besproken, en met elkaar vergeleken. Voorafgaand aan deze bespreking dient opgemerkt te worden dat het in dit hoofdstuk gaat om de juridische structuur in enge zin. Daarmee wordt bedoeld de organisatie van de rechtsvorm los van hoe deze op het gebied van (beperking van) aansprakelijkheid of fiscaliteit is vormgegeven: het gaat specifiek om de interne organisatie3 van de rechtsvorm. De rechtskaraktertrekken van de rechtsvormen worden in dit hoofdstuk besproken aan de hand van een aantal drivers achter de keuze voor de interne structuur van een rechtsvorm door beroepsbeoefenaren. Deze drivers of, in goed Nederlands, drijfveren geven weer wat de (primaire) behoeften zijn van beroepsbeoefenaren bij de inrichting van hun samenwerkingsverband.4 De drijfveren die in dit proefschrift aan de orde komen, zijn:
flexibiliteit;
continuïteit;
rechtszekerheid;
overige bijzondere rechtskaraktertrekken van de rechtsvorm.
De keuze om de juridische organisatiestructuur van de rechtsvormen aan de hand van specifiek deze drijfveren te bespreken, is gebaseerd op een tweetal argumenten. Het eerste argument voor deze aanpak wordt ontleend aan het feit dat het deze drijfveren zijn die steeds weer in de literatuur naar voren komen.5 Uit diverse bronnen blijkt dat het deze drivers zijn die gelden als dé motieven wanneer men streeft naar (een min of meer) duurzame vorm van samenwerking:
‘“(…) de verwachting, dat door samenwerking grotere materiële voordelen kunnen worden bereikt, de wens een min of meer zelfstandige eenheid te vormen, waardoor continuïteit van de door de organisatie uitgeoefende beroep of bedrijf zo niet wordt gewaarborgd dan toch wordt bevorderd, de behoefte extern een sterke eenheid te vormen voor deelneming aan het rechtsverkeer en intern een doelmatige organisatie (bijv. betreffende taakverdeling) in het leven te roepen.’6
Naast het feit dat deze drijfveren naar voren komen in veel (en) verschillende bronnen, wordt de keuze voor (de toetsing aan) deze maatstaven ook gebaseerd op het feit dat de rechtsvorm van de maatschap in dit onderzoek als vertrekpunt is gekozen. De achtergrond van deze keuze is, zoals gezegd, het feit dat beroepsbeoefenaren van oudsher (meestal zelfs verplicht) samenwerken in de maatschap. De aanname is dan ook dat (de juridische structuur van) deze rechtsvorm oorspronkelijk voldeed aan de wensen van beroepsbeoefenaren; het is immers de rechtsvorm die van oudsher specifiek voor samenwerkende beroepsbeoefenaren was bedoeld.7 De andere rechtsvormen worden in dit onderzoek daarom tegen de maatschap afgezet; de rechtsvorm van de maatschap vormt het toetsingskader. Uit onderzoek8 blijkt dat de (juridische structuur van de) maatschap vooral wordt (en werd) gekozen vanwege de flexibiliteit die deze rechtsvorm met zich meebrengt. Daarom is dit de eerste drijfveer die in dit hoofdstuk voor het toetsingskader wordt gebruikt.9 Uit ditzelfde onderzoek blijkt bovendien dat wanneer men de maatschap tegen de kapitaalvennootschappen afzet, deze laatste rechtsvormen nu juist boven de maatschap worden verkozen vanwege de rechtszekerheid en continuïteit die het gebruik van deze rechtsvormen met zich meebrengt (onder andere vanwege hun rechtspersoonlijkheid). Uiteraard zijn er naast deze drijfveren ook andere – meer rechtsvorm-specifieke – keuzefactoren die een rol spelen. Zo wordt een NV vaak gekozen vanwege haar zakelijke uitstraling10 en spelen ook bijvoorbeeld (de hoogte van de) kosten een rol bij de keuze voor (de juridische structuur van) een rechtsvorm. Voor een compleet beeld zal dan ook kort op dergelijke motieven worden ingegaan.
In de tweede paragraaf van dit hoofdstuk wordt allereerst gestart met een korte toelichting op de drijfveren. Wat wordt in dit onderzoek verstaan onder flexibiliteit? En wat wordt bedoeld met continuïteit en rechtszekerheid? Daarna zal in paragrafen de 5.3 tot en met 5.6 de interne organisatie van de maatschap, de BV, de NV en de coöperatie worden vergeleken. Voor de overzichtelijkheid zal deze vergelijking worden gemaakt aan de hand van de levensloop van de rechtsvorm. In dit hoofdstuk wordt gekeken in hoeverre elke rechtsvorm beantwoordt aan de drijfveren bij de aanvang (karakter, doel, oprichting, kapitaal, formaliteiten), gedurende zijn bestaan (organen, zeggenschap en besluitvorming, winstverdeling, herstructurering) en aan het einde ervan (ontbinding en vereffening). In paragraaf 5.7 zullen de uitkomsten van de interne rechtsvergelijking worden geanalyseerd en wordt gekeken hoe de rechtsvormen beantwoorden aan de verschillende drijfveren. Aan de hand van deze analyse zal ten slotte in de conclusie van dit hoofdstuk (paragraaf 5.8) een antwoord worden gegeven op de vraag welke juridische organisatiestructuur – tegen de achtergrond van de drivers – optimaal is voor de samenwerking tussen beroepsbeoefenaren. Omdat dit hoofdstuk opgebouwd is uit een groot aantal verschillende criteria en onderdelen, wordt deze conclusie, met het oog op de leesbaarheid, tot slot weergegeven in een schematisch overzicht (figuur 5.1). Deze matrix kan tevens dienst doen als een leeswijzer voor dit hoofdstuk.