Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.4
5.4 De kapitaalvennootschappen als samenwerkingsverband voor beroepsbeoefenaren
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS383128:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II 2010/11, nr. 9.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 30 en HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR2014:799, JOR 2014/290 (Cancun). Er is echter nooit volledige eenstemmigheid geweest over het verlaten van de contractuele gedachte. Zo is Raaijmakers altijd aanhanger gebleven. Zie o.a. Raaijmakers 1987, Raaijmakers 2014a, en Raaijmakers 2015.
Verdam 2015 en het arrest Cancun waarin de Hoge Raad zich duidelijk uitspreekt over de doorwerking van de aard en de inhoud van de samenwerking tussen aandeelhouders in het vennootschappelijke belang (HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR2014:799, JOR 2014/290 (Cancun)).
Van der Heijden, Van der Grinten & Dortmond 2013, nr. 48, p. 72.
Kroeze, Timmerman & Wezeman 2013, p. 9.
Vlgs. Timmerman is de institutionele opvatting flexibel, staat ze open voor diversiteit en staat zij zeker niet in polariteit met de contractuele opvatting. Zie hierover ook Timmerman 2014 en als reactie hierop Raaijmakers 2015. Zie ook Verdam 2015 en Wuisman 2015b, p. 259.
Van Duuren 2014.
Koeman 2009, p. 132.
Overigens wordt in dit onderzoek uitgegaan van een zogenoemde besloten NV waarin de beroepsbeoefenaren samenwerken. Dit is een NV waarvan de aandelen op naam luiden.
Van der Heijden, Van der Grinten & Dortmond 2013, nr. 41, p. 41.
Tot de invoering van de Wet Flex-BV in 2012 was zij in feite een kopie van de NV. Van der Heijden, Van der Grinten & Dortmond 2013, nr. 41, p. 41, Raaijmakers & Raaijmakers 2014, p. 53, Kroeze 2006a, p. 160.
Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de regeling voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht), Stb. 2012, 299.
Van Schilfgaarde 2013, p. 39. Vgl. ook Wuisman 2015b, p. 259.
Zoals in hoofdstuk 3 al aan de orde kwam, werden de NV en de BV tot de invoering van Boek 2 BW in 1976 gezien als vormen van samenwerking in vennootschappelijk verband.1 De NV (en later ook de BV) werd tot de invoering van Boek 2 BW gezien als een rechtspersoonlijkheid bezittende variant van de contractuele vennootschap (zoals men de personenvennootschap ook wel typeert). Na de invoering van Boek 2 BW heeft de ‘institutionele opvatting’, die sterk de nadruk legt op het eigen karakter van de rechtspersoon-kapitaalvennootschap, voet aan de grond gekregen en werd de contractuele benadering van de NV en BV in de literatuur en jurisprudentie grotendeels verlaten.2 De samenwerkende personen treden – anders dan bij de maatschap – na de oprichting naar de achtergrond, terwijl het door hen gecreëerde, inwendig geïnstitutionaliseerde samenwerkingsverband op de voorgrond blijft staan en als zelfstandige entiteit naar buiten toe optreedt. In zoverre hebben de kapitaalvennootschappen, in tegenstelling tot de maatschap, dus een onpersoonlijk karakter. De ontwikkeling van de institutionele opvatting hangt overigens nauw samen met de norm van het vennootschappelijk belang. ‘Qua richtsnoer bracht de ontwikkeling van deze leer mee dat bestuur en raad van commissarissen zich niet langer moesten richten op het belang van de gezamenlijke aandeelhouders maar op dat van de vennootschap en haar onderneming.’3
De BV en NV zijn geen overeenkomsten zoals de maatschap, maar rechtsfiguren van geheel eigen aard. De wetgever noemt de kapitaalvennootschap nergens een overeenkomst of contract, maar spreekt over een rechtspersoon met een in aandelen verdeeld kapitaal. Daarom worden de NV en de BV ook wel kapitaalvennootschappen genoemd. De aandeelhouders van een kapitaalvennootschap staan weliswaar via een aandeel in een relatie tot de vennootschap en elkaar, maar er hoeft geen sprake te zijn van samenwerking op een wijze (persoonlijk en gelijkwaardig) als tussen de vennoten van een personenvennootschap. Bovendien zijn de kapitaalvennootschappen bestaanbaar met slechts één aandeelhouder.4 Ook hieruit blijkt dat de samenwerkingsgedachte bij deze rechtsvormen niet op de voorgrond hoeft te staan. De kapitaalvennootschappen worden immers, in tegenstelling tot de personenvennootschappen, in de eerste plaats aangegaan omwille van het geld (het aantrekken van financiering): ze kennen een intuitu pecunia karakter.5
Anders is dit bij een zogenoemde persoonsgebonden BV. Hoewel ook hier de institutionele gedachte voorop staat,6 geldt voor een dergelijke BV dat, ook na oprichting van de rechtspersoon, het samenwerkings- en persoonsgebonden karakter van de rechtsvorm duidelijk aanwezig is (en blijft). De interne structuur van een dergelijke vennootschap wordt ‘in de praktijk tot op grote hoogte bepaald door de regelingen in de statuten, overeenkomsten, reglementen en andere documenten die de aandeelhouders in het kader van hun samenwerking hebben uit onderhandeld en waaraan zij ook allen zijn gebonden’.7 Daarnaast zijn de aandeelhouders in een persoonsgebonden BV vaak in verregaande mate betrokken bij het bestuur en de strategie van de vennootschap.8
Het samenwerkingskarakter, de onderlinge afhankelijkheid van de aandeelhouders alsmede de doelgebondenheid van de rechtsbetrekking maken dat een dergelijke BV, net als de maatschap, intuitu personae worden aangegaan. (Ook) in het geval van gezamenlijke, persoonsgebonden beroepsuitoefening zal derhalve in de meeste gevallen sprake zijn van een persoonsgebonden BV. In paragraaf 5.6.1.1 zal (daarom) dieper worden ingegaan op de (invulling van) contractuele afspraken tussen aandeelhouders (in de vorm van een aandeelhoudersovereenkomst) en de verhouding tussen deze contractuele afspraken en statutaire regels (c.q. afspraken). In paragraaf 5.6.2.1 wordt daarnaast aandacht besteed aan de zogenoemde ‘aandeelhouders-bestuurde BV’.
Ondanks dat de kapitaalvennootschappen een eigen identiteit kennen en deze rechtsvormen niet primair gericht zijn op samenwerking, is het dus zeer goed mogelijk om in deze rechtsvormen samen te werken. Ook beroepsbeoefenaren maken in de praktijk veelvuldig gebruik van kapitaalvennootschappen. De NV wordt in veel gevallen gekozen door grote(re) samenwerkingsverbanden van beroepsbeoefenaren,9 terwijl de BV vanwege haar besloten karakter meer door kleinere associaties wordt gebruikt.10
De interne structuur van de samenwerking in de BV en de NV zal in de volgende paragrafen worden besproken. Omdat de regeling van de BV, zoals gezegd, oorspronkelijk11 gebaseerd was op die van de NV, lijken de interne structuren van deze vennootschappen sterk op elkaar. Sinds de invoering van de Wet Flex-BV12 zijn er echter wel grotere verschillen ontstaan. De hoofdgedachte achter de Wet Flex-BV was om bij de besloten vennootschapsverhoudingen (toch) de nadruk (weer) meer te leggen op een contractuele benadering, waarbij ruimte wordt geboden voor inrichtingsvrijheid ten aanzien van de organisatie van de vennootschap en de rechten en plichten van aandeelhouders, en daarnaast te zorgen voor verlichting van de (administratieve) lasten en het dwingende regime van het kapitaalbeschermingsrecht.13
In beginsel zal in de volgende paragrafen worden gesproken over ‘de kapitaalvennootschappen’ en geldt wat wordt beschreven zowel voor de BV als voor de NV. De eventuele verschillen, die met de inwerkingtreding van de Wet Flex-BV zijn ontstaan, zullen uitdrukkelijk worden benoemd en apart worden besproken.