Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/5.4.7
5.4.7 Het vennootschappelijk belang in de flex-BV
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS386517:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 1 (MvT). Zie ook Kamerstukken II 2009/10, 32 426, nr. 3, p. 1 (MvT).
Voor dit alles: Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 3 (MvT).
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 12-13 en 52 (NV II).
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 13 (NV II).
Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen, Kamerstukken 31 763, Stb. 2011, 275 en Wet van 27 september 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verduidelijking van de artikelen 297a en 297b, Kamerstukken 32 873, Stb. 2012, 440. Beide in werking getreden op 1 januari 2013, Stb. 2012, 455 resp. 456.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 10 (MvT). Zie verder Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 6, p. 19 e.v. (NV II).
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 6, p. 1-2 (NV II).
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 6, p. 9 (NV II).
De wetgever heeft bij invoering van de flex-BV de institutionele opvatting – de opvatting die uitgaat van de vennootschap als zelfstandige organisatie – en het daarbij behorende vennootschappelijke belang gehandhaafd, zij het dat de wetgever met de Expertgroep constateert dat de BV (intussen) minder als institutioneel fenomeen en meer als contractueel verband tussen aandeelhouders wordt gezien.1 In paragraaf 2.4 besprak ik de uitgangspunten bij de herziening van het BV-recht. Een van die uitgangspunten was meer vrijheid voor aandeelhouders om de onderneming naar eigen inzicht en wensen vorm te geven met voldoende waarborgen voor de belangen van andere partijen, in het bijzonder het belang van minderheidsaandeelhouders. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat een evenwicht moet worden gevonden tussen enerzijds meer vrijheid van inrichting voor de aandeelhouders en anderzijds de belangen van andere partijen. De wetgever memoreert het algemene uitgangspunt dat ‘het bestuur en de raad van commissarissen zich bij hun handelen moeten richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Dat belang vereist dat in de besluitvorming tevens de belangen van andere partijen die bij de vennootschap zijn betrokken worden meegewogen, zoals werknemers, afnemers en leveranciers. De grotere flexibiliteit van de flex-BV zal de invulling van het vennootschappelijk belang kunnen kleuren’, aldus de wetgever. Meer in het bijzonder stelt de wetgever daarover: “Bij kleine vennootschappen met een beperkt aantal aandeelhouders zal het vennootschappelijk belang dichter liggen bij het belang van de aandeelhouders dan bij een grote vennootschap met veel werknemers en maatschappelijke belangen.”2 en “Het belang van de vennootschap waarborgt dat bij de besluitvorming rekening wordt gehouden met de belangen van alle partijen die bij de vennootschap zijn betrokken en draagt aldus bij aan het vinden van een evenwicht tussen vrijheid van inrichting en bescherming van andere belangen in het wetsvoorstel. Hierbij past de belangrijke kanttekening dat het vennootschappelijk belang bij kleinere vennootschappen met slechts één of enkele aandeelhouders dichter zal liggen bij het belang van de aandeelhouders dan bij een grote vennootschap met een verspreid aandeelhouderschap en meer uiteenlopende belangen.”3 Daarbij merkt de wetgever op dat het belang van de vennootschap in de statuten nader kan worden beschreven. Dat mag er echter niet toe leiden dat belangen van bepaalde partijen worden weggeschreven.4
Door de Wet bestuur en toezicht5 is een lid 5 aan art. 2:239 BW toegevoegd, dat luidt: “Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.” De parlementaire geschiedenis licht toe: “Het voorgestelde lid 5 legt de norm voor het handelen van iedere bestuurder vast. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Daarbij maakt het niet uit of zijn taak uitvoerend of algemeen/toezichthoudend is.”6 Later overweegt de wetgever: “Het bestuur en de raad van commissarissen van een NV/BV hebben op grond van de wet de opdracht om zich te richten naar hetbelang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. Zij moeten de hiervoor bedoelde verschillende belangen behoorlijk afwegen bij de vervulling van hun taak. In de regel moeten zij zich richten op de continuïteit van de onderneming voor de langere termijn. Het voortbestaan van ondernemingen is van groot belang voor de werkgelegenheid en het behoud van inkomen van de Nederlandse beroepsbevolking. In meer brede zin is een goed en verantwoord bestuur van ondernemingen ook van groot belang voor het welzijn van burgers en instellingen, bijvoorbeeld omdat zij in ondernemingen beleggen of doordat ondernemingsactiviteiten invloed hebben op het leefmilieu. Het voorgaande geldt voor beursvennootschappen maar evenzeer voor vennootschappen zonder beursnotering.”7 en “Dat betekent dat de bestuurders en commissarissen onder meer de belangen van kapitaalverschaffers, werknemers, crediteuren en andere contractspartijen moeten afwegen. Het belang van de aandeelhouders mag derhalve niet automatisch voorop worden gesteld.”8