Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.1.2
III.5.1.2 Tussenconclusie: autonomie en eer
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS454373:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R. Macklin, ‘Dignity is a useless concept: It means no more than respect for persons on their autonomy’, BMJ 2003, 327, p. 1419-1420.
Dit voorbeeld is ontleend aan R. Stoecker, ‘Three Crucial Turns on the Road to an Adequate Understanding of Human Dignity’, in: P. Kaufmann, H. Kuch, C. Neuhäuser & E. Webster (eds.), Humiliation, Degradation, Dehumanization: Human Dignity Violated, Dordrecht: Springer 2011, p. 11.
C. Dupré, ‘Unlocking human dignity: towards a theory for the 21st century’, EHRLR 2009, 2, p. 193.
Vgl. J. Rawls (bewerkt door E. Kelly), Justice as Fairness: A Restatement, Cambridge, MA: The Belknap Press of Harvard University Press 2001, p. 18-24, 39 e.v., als Rawls het heeft over free and equal persons, waarbij de uitwerking van ‘vrij’ overeenkomt met ‘autonomie’ en die van ‘equal’ met ‘eer’. Zie ook J.C. Bublitz & R. Merkel, ‘Crimes against Minds: On Mental Manipulations, Harms and a Human Right to Mental Self-Determination’, Crim Law and Philos 2014, 1, p. 63.
R. Dworkin, Justice for Hedgehogs, Cambridge, MA: Harvard University Press, 2011.
In deze paragraaf is de menselijke waardigheid als concept vanuit de (rechts)filosofie benaderd. Hieronder wordt een overzicht geboden op welke wijze de menselijke waardigheid door mij wordt gebruikt voor een toetsingskader van strafvorderlijke opsporingsmethoden. De toepassing daarvan vindt later in het hoofdstuk plaats. In de volgende paragraaf wordt de menselijke waardigheid eerst vanuit het positieve recht benaderd. Deze twee benaderingen – vanuit de (rechts)filosofie en het positieve recht – vormen vervolgens samen het toetsingskader voor de toepassing van opsporingsmethoden in het algemeen en (neuro)geheugendetectie in het bijzonder in overeenstemming met het recht op respect voor menselijke waardigheid.
Eerst is door mij betoogd dat menselijke waardigheid ook een prestatieeigenschap is die bepaalt hoeveel waardigheid iemand bezit, maar dat dit geen grenzen aan gedrag stelt. Hiermee kan ook worden beargumenteerd dat hoe meer waardigheid een persoon bezit (vgl. een politieagent met een rechter-commissaris) des te meer bevoegdheden die persoon toekomen (in dit geval ten opzichte van de verdachte). Dit perspectief biedt verder echter geen bruikbare handvatten. De menselijke waardigheid als sociaal-orderingsconcept bepaalt namelijk geen normen. Dat de ene burger meer sociale waardigheid heeft dan een ander, bepaalt niet op welke wijze iemand waardig kan worden behandeld en hoe een burger zelf menswaardig handelt.
Ten tweede wordt met het normatieve perspectief beargumenteerd dat de verdachte niet enkel een middel, een object is in het proces en daarom bepaalde bevoegdheden toekomt. Het gaat hierbij dus om de positie van de verdachte in het proces. Hierbij gaat het om het respecteren van de rationaliteit van de verdachte. Zijn rationaliteit mag niet volledig worden uitgeschakeld. Mijns inziens gebeurt dat wel als het informatie van en tegen de verdachte wordt verkregen door dwang op hem toe te passen waarmee informatie wordt verkregen die op geen andere wijze is geopenbaard.
Volgens Maclin betekent menselijke waardigheid niets meer dan dat de autonomie van de mens moet worden geëerbiedigd.1 Mijns inziens is dat onjuist. Stel dat een verpleger wraak wil nemen op een persoon die in een vergevorderd stadium van dementie verkeert en blijvend invalide is.2 De vorige dag heeft de verpleegde de verpleger namelijk geërgerd door hem constant te slaan. Als wraak wast de verpleger met een washand eerst de holtes van het onderlichaam van de demente vrouw en vervolgens haar gezicht. Is dit een aantasting van haar menselijke waardigheid in de zin dat haar autonomie niet wordt gerespecteerd? Is zij in het algemeen in staat om autonome beslissingen te nemen? Het is goed verdedigbaar dat demente personen (en personen die zwaar geestelijk gehandicapt zijn, in een psychose verkeren, die net zijn geboren) niet zelfstandig beslissingen mogen en kunnen nemen. Als menselijke waardigheid zou samen vallen met autonomie, dan zou het zojuist gegeven voorbeeld geen schending van de menselijke waardigheid opleveren. Terwijl op het eerste gezicht (dus nog zonder duidelijke conceptualisering van een ander onderdeel van menselijke waardigheid) zo’n behandeling van iemand in een afhankelijke positie als mensonwaardig zal worden gezien. Autonomie kan dus niet de enige capaciteit zijn die wordt beschermd door de eerbiediging van de menselijke waardigheid. ‘However, despite its unquestioned importance, the concept of autonomy arguably constitutes an incomplete foundation for defining dignity.’3 De menselijke waardigheid als respect voor autonomie bepaalt namelijk niet op welke wijze de overheidsfunctionaris mag handelen ten opzichte van de grondrechten van de verdachte.
Als derde wordt op grond van het cognitief perspectief onderbouwd op welke wijze opsporingsambtenaren de verdachte moeten behandelen. Hierbij gaat het om hoe de verdachte door de autoriteiten wordt behandeld. Bevoegdheidstoekenning houdt namelijk niet per definitie in dat de bevoegdheden op een fatsoenlijke manier worden benut. In essentie gaat het erom dat het intrinsieke eergevoel, het intrinsieke zelfrespect van de verdachte niet door de autoriteiten wordt aangetast. Dit levert een onthoudingsverplichting voor vernederende behandelingen op en een absolute ondergrens van toelaatbaar handelen naast bijvoorbeeld de proportionaliteit en subsidiariteit.
In de laatste twee perspectieven staan bepaalde capaciteiten centraal die de mens toekomen en aanleiding geven om de mens – en daarmee dus zijn capaciteiten – te respecteren. Het gaat daarbij om de ‘autonomie’ en ‘eer’ van de mens.4 Dworkin benadrukt de inhoudelijke link tussen deze twee zijden van het respect voor menselijke waardigheid (die hij zelfrespect en authenticiteit noemt):
‘Firstly, each person must take his own life seriously: he must accept that it is a matter of importance that his life be a successful performance rather than a wasted opportunity. […] Secondly each person has a special, personal responsibility for identifying what counts as success in his own life; he has a personal responsibility to create that life through a coherent narrative or style that he himself endorses.’5
Deze vermogens leggen respectievelijk de wetgever en strafrechtsfunctionarissen een inspanningsverplichting – zodat de verdachte van zijn autonomie gebruik kan maken (toekenning van procesrechtelijke bevoegdheden) – en een onthoudingsverplichting op – zodat hij niet in zijn eer wordt aangetast (verbod op vernederende behandelingen).
Wat betekent deze conceptualisering van de menselijke waardigheid voor het toetsen van strafvorderlijke onderzoeksmethoden? Wat betreft (neuro)geheugendetectiemethoden, zoals de GKT, betekent dit dat moet worden bekeken of de afname van de test de autonomie en/of de eer van de verdachte schendt. Schakelt toepassing van (neuro)geheugendetectie de inherente en uniek-menselijke rationaliteit volledig uit waardoor een autonome procespositie onmogelijk is? Schendt de afname van de test het zelfrespect door de verdachte te vernederen? Alvorens deze vragen (in de slotparagraaf (4)) te beantwoorden, wordt de menselijke waardigheid als juridisch concept uitgewerkt. Bekeken wordt hoe het concept in de rechtspraak wordt gebruikt en of dit overeenkomt met de filosofische notie. Het gebruik van het concept in de rechtspraak wordt gebruikt om de menswaardige procespositie en vernederende behandelingen uit te werken.