Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.12.1
9.12.1 Inleiding
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS600774:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vanzelfsprekend niet volledig inwisselbaar: een gezichtspunt doet zich niet voor en wordt niet gewogen.
Zie daarover par. 9.6.5.
Hoewel de toerekening van kennis van de ene concernvennootschap aan de andere buiten mijn onderzoek valt, kan ik het op deze plaats niet nalaten om op te merken dat ik mij kan voorstellen dat sommige van de hier genoemde factoren ook bij een dergelijke toerekening gewicht in de schaal zullen leggen. Ik denk dan in het bijzonder aan factoren als ‘samenhang tussen activiteiten’ en ‘de presentatie van de organisatie als eenheid’.
Waltermann 1992, p. 209; Buck 2001, p. 353, 356.
Zie daarover par. 2.6.
364. In geval van kennisversplintering geldt een rechtspersoon als bekend met bepaalde informatie indien hem naar verkeersopvattingen geen beroep toekomt op de onwetendheid van de handelende functionaris. In het voorgaande heb ik betoogd dat de verkeersopvattingen in belangrijke mate worden bepaald door het organisatiebeginsel. Om te bepalen welke kennis aan de rechtspersoon wordt toegerekend, moet daarom getoetst worden of de rechtspersoon aan zijn organisatieplicht heeft voldaan. Of dat in het concrete geval zo is, moet worden vastgesteld aan de hand van de feiten en omstandigheden. In het hiernavolgende gebruik ik de termen omstandigheden, gezichtspunten en factoren als vrijwel1 inwisselbare termen.
Uit het organisatiebeginsel vloeit mede voort welke omstandigheden relevant zijn voor de beoordeling van kennisversplintering. Het organisatiebeginsel dwingt partijen en de rechter om na te denken over wat in dit concrete geval nu maakte dat de relevante informatie bij de handelende functionaris terecht had moeten komen en door hem had moeten worden benut. Dit leidt bijvoorbeeld tot de conclusie dat veel gewicht toekomt aan de voorzienbare relevantie van de informatie. Daarnaast kunnen echter ook andere gezichtspunten, die niet samenhangen met het organisatiebeginsel, de verkeersopvattingen in het concrete geval mede bepalen. Voorbeelden zijn de strekking van de norm en het motief van de wetende of handelende functionaris om bepaalde kennis niet te raadplegen of te delen. In vertrouwensgevallen – gevallen waarin de wederpartij erop heeft vertrouwd dat bepaalde informatie bij de rechtspersoon aanwezig was – dienen aanvullende omstandigheden te worden gewogen die daarbuiten niet relevant zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om de deskundigheid of hoedanigheid van de wederpartij en om de indruk die (een medewerker van) de rechtspersoon bij deze wederpartij heeft gewekt over het niveau van kennisdeling binnen de organisatie.
365. In het hiernavolgende behandel ik meerdere omstandigheden of gezichtspunten die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van gevallen van kennisversplintering. Dit zijn veel meer gezichtspunten dan de vier die het BGH in Altlasten identificeerde.2 De hierna behandelde gezichtspunten zijn voor het merendeel wel eens uitdrukkelijk genoemd in jurisprudentie of literatuur. Van een enkel gezichtspunt heb ik alleen zelf bedacht dat het relevant kan zijn. Per gezichtspunt geef ik aan, voor zover toepasselijk, in welke Nederlandse en Duitse rechterlijke uitspraken deze omstandigheid relevant is geacht en wat hierover geschreven wordt in de literatuur. Daarnaast omschrijf ik in hoeverre het gezichtspunt verband houdt met het organisatiebeginsel, aan welke situaties men bij het gezichtspunt in kwestie moet denken of welke overwegingen mijns inziens in aanmerking dienen te worden genomen. Vanzelfsprekend zal niet elk van de genoemde omstandigheden zich voordoen in elk geval, en niet elke omstandigheid hoeft te worden genoemd in de motivering van de rechter – een vonnis moet geen afstreepoefening zijn. Soms zal een omstandigheid zo evident zijn (bijvoorbeeld de voorzienbare relevantie van de informatie), dat de rechter daaraan geen afzonderlijke beschouwing zal (hoeven te) wijden. De gezichtspunten die alleen relevant zijn in vertrouwensgevallen – waarin niet zozeer de vraag moet worden beantwoord wat naar verkeersopvattingen geldt, als wel waar de wederpartij in het onderhavige geval op mocht vertrouwen – komen aan de orde in een afzonderlijke paragraaf (par. 9.13).
Ik pretendeer niet dat de hiernavolgende lijst uitputtend is en evenmin dat er geen overlap bestaat tussen de genoemde factoren. Als voorbeeld van overlap kunnen de factoren ‘voorzienbare relevantie van de informatie’ (par. 9.12.2) en ‘samenhang tussen activiteit van wetende en handelende functionaris’ (9.12.9) dienen. Indien veel samenhang tussen de activiteiten bestaat, zal eerder worden aangenomen dat voor medewerkers die de ene activiteit verrichten, de relevantie van de daarbij vergaarde informatie voor de andere activiteit voorzienbaar is.3
366. De hierna te behandelen factoren zijn evenzeer van belang voor de beantwoording van de vraag wat de rechtspersoon wist als van de vraag wat de rechtspersoon behoorde te weten. In de Duitse rechtsliteratuur treft men wel de opvatting aan dat de vraag naar toerekening van kennis alleen hoeft te worden beantwoord in gevallen waarin de toepasselijke norm subjectieve kennis eist. Wanneer de norm objectieve kennis eist, zou geen toerekening of samenvoeging van kennis plaatsvinden, omdat ‘eenvoudigweg’ wordt beoordeeld of de rechtspersoon de kennis had behoren te hebben.4 Hoe de rechter in geval van kennisversplintering tot dat oordeel moet komen, behandelen de verdedigers van dit standpunt echter niet. Zoals eerder vermeld, besteden Duitse auteurs überhaupt weinig aandacht aan de weging van omstandigheden. Wat mij betreft omvat het begrip ‘toerekening van kennis’ zowel de toerekening van subjectieve kennis als die van objectieve kennis.5 Maar ook indien men het daarmee oneens is: met de constatering dat ‘slechts’ hoeft te worden beoordeeld of de rechtspersoon het feit behoorde te kennen, is nog niets bekend over de voorwaarden waaronder of de omstandigheden waarin kan worden geconcludeerd dat de rechtspersoon het feit behoorde te kennen. In de Nederlandse rechtspraak en literatuur is daar geen noemenswaardige theorie over ontwikkeld. In Duitsland evenmin. Ik kan mij niet voorstellen dat voor een oordeel dat de rechtspersoon objectief wetend was, andere omstandigheden relevant zijn dan voor het oordeel dat de rechtspersoon subjectieve kennis droeg. Het verschil zal hem eerder zitten in de eisen die worden gesteld aan de omstandigheden: voor het aannemen van subjectieve kennis zullen die pregnanter aanwezig moeten zijn dan voor het aannemen van objectieve kennis.
367. De hierna behandelde factoren zijn:
Algemeen:
Voorzienbare relevantie van de informatie (par. 9.12.2);
Aanleiding tot het opvragen of raadplegen van informatie (par. 9.12.3);
Strekking van de norm (par. 9.12.4);
Functie/positie/deskundigheid van de functionaris (par. 9.12.5);
Oorzaak van de kennisversplintering (par. 9.12.6);
Tijdsverloop (par. 9.12.7);
Bezwaarlijkheid van opslag, doorgifte en raadpleging van informatie (par. 9.12.8);
Samenhang tussen activiteit van wetende en handelende functionaris (par. 9.12.9);
Presentatie van de organisatie als eenheid (par. 9.12.10);
Motief voor niet-delen of niet-opvragen van kennis (par. 9.12.11);
Bron van kennis (par. 9.12.12);
Professionaliteit van de rechtspersoon (par. 9.12.13);
Aard en inhoud van de rechtsverhouding (par. 9.12.14).
Vertrouwensgevallen:
Kennis, deskundigheid en hoedanigheid wederpartii (par. 9.13.2);
Gewekte verwachtingen ten aanzien van interne kennisdeling (par. 9.13.3);
(Nogmaals) aard en inhoud van de rechtsverhouding (par. 9.13.4).
De voorzienbare relevantie van de informatie, de aanleiding tot het opvragen of raadplegen daarvan en de strekking van de norm leggen naar mijn mening het meeste gewicht in de schaal. Met die eerste twee factoren hangt de factor functie/positie/deskundigheid nauw samen. Op voorhand is weinig te zeggen over de onderlinge verhouding tussen de overige omstandigheden; dit zal sterk afhangen van de feiten in een concrete casus.