Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.7.2.3
III.7.2.3 Procesautonomie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS454384:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM (GK) 1 juni 2010, NJ 2010, 628; appl. no. 22978/05 (Gäfgen vs. Duitsland).
EHRM (GK) 1 juni 2010, appl. no. 22978/05, r.o. 179 (Gäfgen vs. Duitsland). Vgl. EHRM (GK) 17 december 1996, appl. no. 19187/91, r.o. 71 (Saunders vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 11 juli 2006, appl. no. 54810/00, r.o. 101, 117 (Jalloh vs. Duitsland) en EHRM (GK) 29 juni 2007, appl. nos. 15809/02 & 25624/02, r.o. 55 (O’Halloran & Francis vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 10 maart 2009, appl. no. 4378/02, r.o. 92 (Bykov vs. Rusland).
EHRM 19 februari 2015, appl. no. 57980/11, r.o. 64 (Zhyzitskyy vs. Oekraïne).
EHRM (GK) 1 juni 2010, appl. no. 22978/05, r.o. 166 (Gäfgen vs. Duitsland).
EHRM 31 oktober 2013, appl. no. 17416/03 (Tarasov vs. Oekraïne).
EHRM (GK) 11 juli 2006, appl. no. 54810/00, r.o. 105 (Jalloh vs. Duitsland).
EHRM (GK) 11 juli 2006, appl. no. 54810/00, r.o. 106 (Jalloh vs. Duitsland).
EHRM 3 may 2001, NJCM-Bulletin 2002, 5, r.o. 66, m.nt. Lenos (J.B. vs. Zwitserland).
EHRM (GK) 29 juni 2007, appl. nos. 15809/02 & 25624/02, r.o. 46 (O’Halloran & Francis vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 21 december 2000, appl. no. 36887/97, r.o. 56 (Quinn vs. Ierland) en EHRM 21 december 2000, appl. no. 34720/97, r.o. 55 (Heaney & McGuinness vs. Ierland) en EHRM 21 april 2009, appl. no. 19235/03, r.o. 73 (Marttinen vs. Finland) en EHRM (GK) 8 februari 1996, appl. no. 18731/91, r.o. 49 (John Murray vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM 24 maart 2005, appl. no. 63207/00, joint dissenting opinion Hajiyev & Jebens, punt 3 (Rieg vs. Oostenrijk).
‘The Court recalls that, although not specifically mentioned in Article 6 of the Convention (art. 6), the right to silence and the right not to incriminate oneself are generally recognised international standards which lie at the heart of the notion of a fair procedure under Article 6 (art. 6). Their rationale lies, inter alia, in the protection of the accused against improper compulsion by the authorities thereby contributing to the avoidance of miscarriages of justice and to the fulfilment of the aims of Article 6 (art. 6) (see the above-mentioned John Murray judgment, p. 49, para. 45, and the above-mentioned Funke judgment, p. 22, para. 44). The right not to incriminate oneself, in particular, presupposes that the prosecution in a criminal case seek to prove their case against the accused without resort to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused.’ (onderstreping DvT). EHRM (GK) 17 december 1996, NJ 1997, 699, r.o. 68 (Saunders vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM 5 november 2002, appl. no. 48539/99, r.o. 44 (Allan vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 10 maart 2009, appl. no. 4378/02, r.o. 92 (Bykov vs. Rusland) en EHRM 1 februari 2011, appl. no. 23909/03, r.o. 127 (Desde vs. Turkije) en EHRM 25 juni 2013, appl. no. 25333/03, r.o. 111 (Niculescu vs. Roemenië) en EHRM 28 november 2013, appl. no. 25703/11, r.o. 91 (Dvorski vs. Kroatië).
Hierboven is besproken dat de ongeoorloofdheid van de ingezette methode om het bewijs te vergaren een essentiële rol speelt bij de beoordeling of het nemo-teneturbeginsel is geschonden. Hoewel het een noodzakelijke voorwaarde is, is het vaak geen voldoende voorwaarde. Voor een schending van het beginsel is het belangrijk om te bekijken wat de autoriteiten doen met het door ongeoorloofde dwang verkregen bewijs. In beginsel wordt het nemoteneturbeginsel pas geschonden wanneer het onrechtmatig verkregen bewijs effect heeft op een rechterlijke beslissing. Hoe het EHRM deze doorwerking behandelt en reguleert, staat centraal in deze paragraaf. In het begin van deze paragraaf wordt ‘de manier waarop het bewijs wordt gebruikt’ genoemd als derde criterium voor de beoordeling van een schending van het nemo-teneturbeginsel. Het gebruik van het door ongeoorloofde dwang verkregen bewijs is in beginsel een noodzakelijke en voldoende voorwaarde voor schending van het beginsel. Dit blijkt nadrukkelijk uit de zaak Gäfgen.1 Gäfgen wordt bedreigd met marteling door een opsporingsambtenaar en legt onder die druk een verklaring af. Deze verklaring speelt echter voor de bewezenverklaring en straftoemeting geen rol van betekenis volgens het EHRM zodat wel sprake is van een schending van artikel 3 EVRM door de bedreiging met foltering, maar niet van artikel 6 EVRM omdat het daardoor verkregen bewijs niet is gebruikt.2 De vraag is wat het EHRM precies bedoeld met het ‘gebruik’ van het bewijs?
Dit criterium is (wederom) niet eenvoudig te operationaliseren. De aard en mate van dwang hebben namelijk invloed op welke wijze van gebruik onrechtmatig is. Het duidelijkst komt dit naar voren in de rechtspraak over de doorwerking van artikel 3 EVRM schendingen naar artikel 6 EVRM. Wat betreft tortuur lijkt elk gebruik van het door marteling verkregen bewijs een schending van artikel 6 EVRM op te leveren.3 Voor verklaringen verkregen door een schending van artikel 3 EVRM geldt dat zij op geen enkele wijze invloed mogen hebben op het strafproces.4 In Tarasov5 wordt de door tortuur verkregen verklaring, die ook in strijd met andere eerlijk procesrechten is verkregen, gebruikt om aan te tonen dat de verklaringen van een groot aantal anderen (namelijk medeverdachten, slachtoffers en getuigen) betrouwbaar zijn. Gezien het grote aantal verklaringen was deze verwijzing bewijsrechtelijk irrelevant. Toch neemt het EHRM een schending van het nemo-teneturbeginsel aan omdat het bewijs is gebruikt (ter verificatie en niet voor de bewijsmotivering). In Jalloh overweegt het EHRM dat ‘real evidence’ (dat volgens mij overeenkomt met bewijs dat onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat) verkregen door tortuur niet mag worden gebruikt voor de vaststelling van schuld.6 Bij onmenselijke of vernederende behandelingen hangt het van de omstandigheden van het geval af wat de consequentie is voor de eerlijkheid van de procedure. Uit Jalloh volgt dat het niet kan worden uitgesloten dat elk gebruik van bewijs dat verkregen is door schending van artikel 3 EVRM de eerlijkheid van de gehele procedure aantast, maar het EHRM stelt dat niet als algemene regel.7 Overigens kan ook mogelijk gebruik van het bewijs in een strafzaak al een schending opleveren.8 Deze casuïstische aanpak zorgt derhalve niet voor opheldering wat precies het EHRM bedoelt met ‘the use to which any material so obtained was put’. Het EHRM hanteert bij verschillende soorten dwang ook onderscheidende gebruiksverboden voor het bewijs. Hierdoor zijn algemene regels niet te formuleren.
De algemene toets die het EHRM gebruikt is of het gebruik van door ongeoorloofde dwang verkregen bewijs ‘de essentie’ van het nemo-teneturbeginsel vernietigt.9 Maar ook hier laat het Hof na de essentie van het nemoteneturbeginsel te duiden. Slechts in één dissenting opinion wordt een omschrijving gegeven:
‘Further, the degree of compulsion imposed on the applicant was, in our opinion, at a level that actually destroyed the very essence of the right to remain silent and the privilege against self‑incrimination. In this respect we would like to note that the applicant had no other choice than either to break her silence and provide possibly incriminating information or to have a fine or term of imprisonment imposed on her for failure to provide such information. There was therefore no way in which the applicant could have avoided to give full information, and still not be penalized.’10
Met andere woorden, in het proces moet het de verdachte vrij staan zelfstandig en onafhankelijk te kunnen of en welk bewijs hij op welk moment inbrengt. Dit lijkt dus de kern te zijn van het beginsel en de doorwerking van het door ongeoorloofde dwang verkregen bewijs schendt het nemo-teneturbeginsel als de verdachtes procesautonomie wordt geschonden.
Dit heeft te maken met de tweede rationale van het nemo-teneturbeginsel die het EHRM onderscheidt en onderschrijft.11 Hierboven is vermeld dat het voorkomen van gerechtelijke dwalingen een van de doelen is van artikel 6 EVRM. Dit wordt mede bereikt door verdachten te beschermen tegen ongeoorloofde dwang. Het punt is echter dat ongeoorloofde dwang voornamelijk de betrouwbaarheid van verklaringen, bewijs dat afhankelijk van de wil bestaat, aantast. De bescherming tegen ongeoorloofde bewijsvergaring van materiaal dat onafhankelijk van de wil bestaat, volgt uit de ratio dat volgens artikel 6 EVRM de wil van de verdachte moet worden gerespecteerd en dat de autoriteiten schuld moeten bewijzen zonder terug te vallen op ongeoorloofde opsporing.12 Deze twee doelen worden bereikt door (1) ongeoorloofde dwang te verbieden, zodat de (2) betrouwbaarheid van het bewijs wordt verkregen en dat de verdachte onafhankelijk en op grond van eigen voorkeuren zijn (3) proceskeuzes kan maken.