Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.7.1
III.7.1 Het nemo-teneturbeginsel als filosofisch concept
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS453180:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
D. Dolinko, ‘Is there a Rationale for the Privilege against Self-Incrimination’, UCLA L. Rev. 1986, 4, p. 1063-1148 en R.J. Allen, ‘Theorizing about Self-Incrimination’, Cardozo L. Rev. 2008, 3, p. 729-750.
R.J. Allen, ‘Theorizing about Self-Incrimination’, Cardozo L. Rev. 2008, 3, p. 729.
B.J. Koops, Verdachte en ontsleutelplicht: hoe ver reikt nemo-tenetur?, Deventer: Kluwer 2000, par. 4.4.
B.J. Koops & L. Stevens, ‘J.B. versus Saunders. De groeiende duisternis rond nemotenetur’, DD 2003, 3, p. 281-294.
G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 266.
I. Peçi, Sounds of Silence (diss. Groningen), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2006, p. 79.
Zoals hierboven beschreven lijkt de ratio van het nemo-teneturbeginsel – en daarmee natuurlijk ook de toepassing van het beginsel – moeilijk en zelfs controversieel te zijn. Sommige auteurs betwijfelen zelfs of het ontstaan van het nemo-teneturbeginsel wel kan worden gerechtvaardigd.1 Zo schrijft Allen dat ‘the efforts to theorize about the Self-Incrimination Clause have uniformlybeen failures’.2 In de (Nederlandse) literatuur bestaat dan ook geen overeenstemming over de rechtsgronden voor het nemo-teneturbeginsel. Zo onderscheidt Koops eerst vier3 en later, samen met Stevens, drie rechtsgronden.4 Corstens & Borgers5en Peçi6 beschrijven twee, niet met elkaar overeenstemmende, rechtsgronden voor het nemo-teneturbeginsel. Hieronder volgt een overzicht van deze rechtsgronden.
III.7.1.1 Betrouwbaarheid van het bewijsIII.7.1.2 ProcesautonomieIII.7.1.3 Menselijke waardigheidIII.7.1.4 Verbod op ongeoorloofde dwangIII.7.1.5 Conclusie