Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.12.3:9.12.3 Aanleiding tot het opvragen of raadplegen van informatie
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.12.3
9.12.3 Aanleiding tot het opvragen of raadplegen van informatie
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS593841:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
374. De aanleiding tot het opvragen of raadplegen van informatie speelt op het vlak van de handelende functionaris. De aanleiding tot het opvragen van informatie is een belangrijke factor, omdat een functionaris alleen bij voldoende aanleiding hoeft over te gaan tot het opvragen van informatie waartoe hij toegang heeft. De functionaris die namens de rechtspersoon een stuk grond verkoopt, heeft aanleiding om na te gaan wat binnen de rechtspersoon bekend is over het eerdere gebruik van die grond. De functionaris die namens de rechtspersoon opdracht geeft tot opmeting van het perceel, heeft een dergelijke aanleiding veel minder. De factor ‘aanleiding’ werd van belang geacht in Haagse Gasfabriek waar het hof overwoog dat kort voor de verkoop van het terrein publicaties waren verschenen waarin werd gewaarschuwd over de gevaren van vervuilde grond onder voormalige gasfabrieken, en de gemeente daarover ook een circulaire had ontvangen. Het BGH noemt de factor ‘aanleiding’ uitdrukkelijk in Knollenmergel en Altlasten.1 Aanleiding voor het opvragen van informatie was in Disparischer Scheck en Levensverzekering gelegen in het verdachte karakter van de transactie.2 In Kanadischen Betrug en Borgstelling bestond een dergelijke aanleiding omdat de handelende functionaris wist dat een andere afdeling of filiaal mede betrokken was bij de voorliggende rechtsverhouding.3
Bij de weging van dit gezichtspunt kan meespelen in hoeverre de relevante informatie ‘in het oog sprong’. Soms zal de informatie wel aanwezig zijn geweest in de stukken die de handelende functionaris raadpleegde, maar sprong die niet in het oog. Denk aan de situatie dat één regel tekst in een van vele bijlagen bij een overeenkomst een relevant gegeven vermeldt. Heeft de handelende functionaris geen aanleiding om specifiek naar dat type informatie te zoeken, dan zal het de rechtspersoon eerder vergeven (moeten) worden dat de informatie niet werd gebruikt.
Bij het wegen van de omstandigheid ‘aanleiding’ dient feitelijk de vraag te worden beantwoord of de handelende functionaris een onderzoeksplicht had en daarmee of de handelende functionaris het relevante feit had behoren te kennen. Eist de norm niet meer dan objectieve kennis, dan is sprake van een standaardsituatie. Wanneer de toepasselijke norm subjectieve kennis eist, zal echter een vrij sterke aanleiding voor het opvragen van informatie moeten bestaan om de rechtspersoon een beroep op de onwetendheid van de handelende functionaris te ontzeggen. Daar staat tegenover dat, indien het raadplegen van bepaalde informatie onderdeel is van de normale uitoefening van de taak van de functionaris in kwestie en het niet-raadplegen van die informatie geldt als een gebrekkige taakuitoefening, in beginsel voldoende aanleiding bestaat om subjectieve kennis aan te kunnen nemen. De handelende functionaris – en daarmee de rechtspersoon – houdt zich dan ‘van de domme’.