Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/10.2.4
10.2.4 Het bestaan van de VOF
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS389490:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS (Vz.) 1 maart 1984, AB 1984/403. In casu ging het om een vereniging, maar de redenering gaat eveneens op voor een personenvennootschap.
ABRvS 16 december 1997, JB 1997/23.
ABRvS 4 juni 1999, JB 1999/171, r.o. 2.4 (Rechtsverkrijger onder bijzondere titel/B&W Haarlem).
ABRvS 31 augustus 1999, Gst. (7115) 2000/6.
ABRvS 20 augustus 1998, JB 1998/207 (Stichting Studenten Huisvesting Drienerlo/Staatssecretaris van Defensie) en nogmaals in ABRvS 1 juli 2009, JOM 2009/680 (LSI Verolme Shipyard BV/GS Zuid-Holland) en ABRvS 7 oktober 2009, JB 2009/250 (Overdracht onderneming inclusief bestuurlijk boete).
ABRvS 31 oktober 2001, JB 2001/320.
Alleen degene die bestaat, kan belangen hebben en tengevolge van die belangen belanghebbende zijn op grond van art. 1:2 lid 1 Awb. Het ‘bestaan’ van een VOF kan vragen oproepen: op welk moment moet de VOF bestaan en waaruit blijkt dat zij bestaat? De voorzitter van de Afdeling heeft bepaald dat een entiteit, om bezwaar te kunnen maken tegen een besluit, in ieder geval ten tijde van het nemen van het besluit al moet bestaan.1 Bestaat de entiteit immers pas vanaf een later moment, dan had zij ten tijde van het nemen van het besluit nog geen belangen en kan zij dus niet in enig belang zijn geschaad door het besluit. In 1997 besliste de Afdeling echter dat een rechtspersoon die na het nemen van het besluit, maar hangende de bezwaartermijn werd opgericht, belanghebbende kon zijn bij het besluit.2 Waarom de Afdeling de organisatie hier toch als belanghebbende aanmerkte, wordt mij uit de overwegingen niet geheel duidelijk. Mogelijk heeft de Afdeling aangenomen dat hier, nu het ging om een bewonersorganisatie die opkwam voor de belangen van benadeelde bewoners, sprake was van een bundeling van al bestaande belangen van een groep mensen en niet van een later ontstaan belang. De Afdeling heeft met betrekking tot een geschil over een bouwvergunning bepaald dat als een belanghebbende al een geschil aanhangig heeft gemaakt en vervolgens zijn belanghebbendheid verliest als gevolg van verkoop van de woning, in beginsel kan worden aanvaard dat ook de hoedanigheid van aanlegger van het geschil overgaat van de vervreemder op de rechtsopvolger onder bijzondere titel.3 De vervreemder had weliswaar niet medegedeeld dat de verkrijger de lopende procedure over zou nemen, maar de commissie beroep- en bezwaarschriften was er wel van op de hoogte dat de woning verkocht was. Als de commissie dan volstaat met het advies aan het bestuursorgaan de vervreemder niet-ontvankelijk te verklaren wegens ontbreken van belang zonder nader onderzoek te doen, dan handelt het bestuursorgaan in strijd met de vereiste zorgvuldigheid als het het advies zonder meer overneemt. Even als bij de overdracht van een woning zal dan gelden dat, als een bedrijf wordt voortgezet door een van de gewezen vennoten van de voordien belanghebbende VOF, het belang geacht wordt over te zijn gegaan op de voortzetter. Dat eventueel al ingediende bezwaren door de toen nog bestaande VOF zijn ingediend, leidt niet tot kennelijke niet-ontvankelijkheid van de voortzetter.4 Voorwaarde voor de overgang is wel, dat met de overdracht ook de hoedanigheid van rechtstreeks belanghebbende bij het in de aanhangige procedure bestreden besluit geheel is overgegaan. De aanspraak op rechtsbescherming moet, met andere woorden, ‘verknocht’ zijn aan het overgedragene; voorkomen moet worden dat het belang is blijven bestaan, maar geen rechtsbescherming kan worden verkregen vanwege verval van belang bij de insteller van de procedure.5 Omdat de VOF na ontbinding gedurende de vereffening blijft voortbestaan (zie hoofdstuk 3), kan zij gedurende deze periode nog belang hebben bij een beslissing op een vordering tot schadevergoeding tegen de gemeente.6