De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/10.2.2:10.2.2 Het belang van de VOF
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/10.2.2
10.2.2 Het belang van de VOF
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385861:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitvoerige bespreking van (de jurisprudentie over) deze en de overige vereisten voor het zijn van belanghebbende in de zin van art. 1:2 lid 1 Awb: Schlössels 2001. Zie ook Wiggers-Rust 2011.
ABRvS 13 mei 1996, AB 1996/312, m.nt. F.C.M.A. Michiels (Maximillian).
CRvB 1 september 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU2448 (A/UWV).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het ‘eigen belang’1 dat een voorwaarde is voor het zijn van belanghebbende is voor de VOF gelijk te stellen aan het belang van de gezamenlijke vennoten.2 Toen een door de twee enige vennoten van de VOF Maximillian aangevraagde vergunning was geweigerd door de burgemeester van Tilburg, maakten zowel de twee vennoten als de VOF bezwaar. Hierop verklaarde de burgemeester het bezwaar van de VOF niet-ontvankelijk, omdat het primaire besluit niet mede tot de VOF Maximillian was gericht maar alleen tot de vennoten. De Afdeling overwoog hierop echter:
‘Voor een vennootschap onder firma staat derhalve de mogelijkheid van bezwaar en beroep open, mits haar belang rechtstreeks bij het door haar bestreden besluit is betrokken en ook overigens aan de vereisten voor ontvankelijkheid is voldaan. De omstandigheid dat Maximillian de in geding zijnde aanvraag niet (mede) heeft ingediend (…), rechtvaardigt niet de conclusie dat Maximillian geen belanghebbende bij de weigering van de vergunning kan zijn. (…) De indiening van een aanvraag is daar (in de MvT, PMB) slechts genoemd als één van de mogelijke redenen om een vennootschap onder firma (of soortgelijke ‘entiteit’) als belanghebbende aan te merken. Vast staat dat H. en G. Schafrat, als vennoten van Maximillian, de onderhavige inrichting onder het verband van deze vennootschap exploiteren. Aan zulk een samenwerkingsverband pleegt – mede gezien de gevolgen die daaraan naar burgerlijk recht zijn verbonden – in het maatschappelijk verkeer een zekere mate van zelfstandigheid te worden toegekend. In maatschappelijke en economische zin is het de vennootschap die, door tussenkomst van haar vennoten, de inrichting exploiteert. In deze zienswijze heeft de vennootschap er belang bij dat aan de vennoten de vergunningen worden verleend die zij met het oog op de bedrijfsuitoefening behoeven. Uitgaande van de bedoeling van de wetgever om bezwaar en beroep ook voor ‘entiteiten’ open te stellen, ligt het in de rede om voor de toepassing van art. 1:2 eerste lid Awb bij deze verkeersopvatting aan te sluiten. Daarbij is het belang van de vennootschap – nu deze geen rechtspersoonlijkheid bezit – met het belang van de gezamenlijke vennoten op één lijn te stellen. Geoordeeld moet derhalve worden dat het belang van de vennootschap, naast dat van de vennoten, rechtstreeks bij de weigering van de vergunning is betrokken.’
De Afdeling erkent dus dat de VOF in het maatschappelijk verkeer een zekere zelfstandigheid geniet. Als een VOF door een besluit rechtstreeks in haar belang wordt geraakt, zijn in elk geval zowel de VOF zelf als de gezamenlijke vennoten belanghebbenden. Opgemerkt dient te worden dat het belang van de gezamenlijke vennoten dat met het belang van de VOF op één lijn wordt gesteld, iets anders is dan het belang van een vennoot in privé. Treedt een vennoot dus uitdrukkelijk in persoon op in verband met een besluit dat betrekking heeft op de VOF, dan is hij mogelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van voldoende eigen of direct geraakt belang.3