Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/6.3.3:6.3.3 Wie geldt bij rechtspersonen als volmachtgever?
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/6.3.3
6.3.3 Wie geldt bij rechtspersonen als volmachtgever?
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS596141:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook: Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/348 (stelt kennis van bestuur gelijk aan kennis van volmachtgever in de zin van art. 3:66 lid 2 BW).
Vgl. Dortmond e.a. 2013, p. 507.
Maar mogelijk wel op grond van de verkeersopvattingen; zie hoofdstuk 9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
148. Art. 3:66 lid 2 BW veronderstelt dat de volmachtgever zelf kennis en een wil heeft. Hoe moeten wij dat zien wanneer de volmachtgever een rechtspersoon is? Mijns inziens zal bij de toepassing van de leer van het grootste aandeel acht moeten worden geslagen op het individu dat namens de rechtspersoon de volmacht heeft verstrekt. Dit kan een bestuurder zijn, maar ook een andere functionaris binnen de organisatie die bevoegdheden heeft waarover de gevolmachtigde niet beschikt, bijvoorbeeld een afdelingshoofd. 1 Ik zal die hierna ook wel de ‘feitelijk volmachtgever’ noemen. Zijn of haar kennis geldt als de kennis van de volmachtgever in de zin van art. 3:66 lid 2 BW.2 Het feit dat niet dat individu, maar de rechtspersoon juridisch gezien de volmachtgever is, doet hieraan naar mijn mening niet af. In de parlementaire geschiedenis van art. 3:66 lid 2 BW is nu eenmaal geen bijzondere aandacht besteed aan het feit dat de volmachtgever ook een rechtspersoon kan zijn. Ook in Duitsland vindt men deze gedachte terug.3
149. Veel rechtshandelingen worden voor de rechtspersoon verricht door functionarissen aan wie niet expliciet een volmacht is verstrekt voor het verrichten van een bepaalde rechtshandeling. De vertegenwoordigingsbevoegdheid ligt vaak besloten in de aanstelling van de functionaris en is dan stilzwijgend verleend (art. 3:61 lid 1 BW) of neergelegd in de functieomschrijving in de arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht.4 De caissière is bevoegd om namens de rechtspersoon-supermarkt bepaalde koopovereenkomsten aan te gaan; de general counsel is bevoegd om zelfstandig de advocaat van de vennootschap te instrueren. De verlener van dergelijke aanstellingsvolmachten – doorgaans een bestuurder of het hoofd personeelszaken met volmacht van het bestuur – zal vaak geen aandeel hebben in de totstandkoming van de rechtshandeling. Hij of zij zal soms niet eens meer bij de rechtspersoon werkzaam zijn op het moment dat de rechtshandeling wordt verricht. Bij gebrek aan een aandeel van de verlener van de volmacht in de totstandkoming van de rechtshandeling is er dan dus geen grond of aanleiding om diens kennis aan de rechtspersoon toe te rekenen.
150. Andersom kan het gebeuren dat een bestuurder die niet de (aanstellings) volmacht aan de gevolmachtigde heeft verstrekt, niettemin betrokken is bij de totstandkoming van de overeenkomst die de gevolmachtigde namens de rechtspersoon sluit. De bestuurder kan bijvoorbeeld aanwezig zijn geweest bij een deel van de onderhandelingen. De bestuurder is dan niet (wat ik hier heb genoemd) feitelijk volmachtgever, maar een redelijke uitleg van art. 3:66 lid 2 BW brengt mijns inziens mee dat hij niettemin geldt als volmachtgever in de zin van dat artikellid. De bestuurder heeft een verantwoordelijkheid voor het vermogen van de rechtspersoon die de verantwoordelijkheid van volmachtgever-natuurlijke persoon voor zijn eigen vermogen het dichtst nadert. Heeft de bestuurder relevante feitenkennis én een aandeel in de totstandkoming of inhoud van de overeenkomst, dan mag op grond van art. 3:66 lid 2 BW (analoog) rekening worden gehouden met zijn kennis bij de bepaling van de geldigheid en gevolgen van de overeenkomst. Is het aandeel van de bestuurder zeer gering, dan is toerekening van zijn feitenkennis niet mogelijk op grond van art. 3:66 lid 2 BW.5