Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.1.1.3.0
III.5.1.1.3.0 Introductie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS451989:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A.A.T. van Eijk, Menselijke waardigheid tijdens detentie. Een onderzoek naar de taak van de justitiepastor (diss. Tilburg), Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 93.
Vgl. H.T. Blokland, Wegen naar vrijheid: Autonomie, emancipatie en cultuur in de westerse wereld, Amsterdam: Boom 1995, p. 122.
I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 434.
J. Rawls, ‘Themes in Kant’s Moral Philosophy’, in: E. Förster (ed.), Kant’s Transcendental Deductions, Stanford, CA: Stanford University Press 1989, p. 83.
J. Rawls, A Theory of Justice, Oxford: Clarendon Press 1972, p. 136 e.v.
Bij de menselijke waardigheid als normatief argument zoals in de vorige subparagraaf is uitgewerkt, staat het respecteren van rechten van anderen centraal. De menselijke waardigheid stelt dan een norm hoe anderen behoren te worden behandeld. Zoals hierboven uiteen werd gezet, is een belangrijk uitgangspunt daarbij dat personen ruimte moet worden geboden om autonoom te handelen. Anders worden zij enkel als middel gebruikt. Het gaat daarbij dus om de vraag wie het gedrag bepaalt; het individu zelf (autos) of een ander (heteros). Deze uitwerking van de menselijke waardigheid is een intermenselijk concept: het heeft betrekking op de verhouding tussen twee personen.1
Ten tweede geeft de menselijke waardigheid ook aan hoe een persoon zelf behoort te handelen. Hierbij staat derhalve het gedrag van de actor centraal. Het concept behelst een plicht om op een menswaardige manier te handelen. De menselijke waardigheid als cognitief concept is een intramenselijk concept: het heeft betrekking op de redenen die ten grondslag liggen aan het vertoonde gedrag (en of dat in overeenstemming met de menselijke waardigheid is).2 Ik noem dit een cognitief concept omdat de persoon zijn cognitieve capaciteiten inzet om gedragsregels te formuleren, terwijl in de vorige paragraaf de menselijke waardigheid is belicht als norm voor het behandelen van anderen. In deze paragraaf wordt bekeken op grond van welke regel een persoon in overeenstemming met de menselijke waardigheid handelt. Daarbij verdient opmerking dat de twee concepten geen alternatieven zijn, maar elkaar aanvullen. Beide uitwerkingen van de menselijke waardigheid zullen vaak dezelfde normen stellen aan het gedrag van strafrechtfunctionarissen ten opzichte van de verdachte. Ten eerste gaat het om de vraag of de verdachte door de opsporingsautoriteiten menswaardig is behandeld en ten tweede om de vraag of de strafrechtfunctionarissen menswaardig hebben gehandeld. Zo geformuleerd moge duidelijk zijn dat de twee verschillende concepten waarschijnlijk eenzelfde uitkomst in een bepaalde situatie bieden.
In mijn uitwerking van de menselijke waardigheid als cognitief concept geeft het de basis van menswaardig gedrag aan. Een persoon die een handeling wil verrichten kan op grond van een bepaalde formule nagaan of hij in overeenstemming met de menselijke waardigheid handelt. Een andere formulering van de categorische imperatief dan die in de vorige subparagraaf werd gebruikt, kan als basisregel voor gedrag worden gebruikt.
‘[K]eine Handlung nach einer andern Maxime zu thun, als so, daß es auch mit ihr bestehen könne, daß sie ein allgemeines Gesetz sei, und also nur so, daß der Wille durch seine Maxime sich selbst zugleich als allgemein gesetzgebend betrachten könne.’3
Volgens Rawls is een viertal stappen nodig voordat een actor tot moreel gedrag op grond van deze formulering van de categorische imperatief komt.4 Een actor dient eerst een persoonlijke gedragsregel vast te stellen gezien de situationele omstandigheden en zijn mogelijkheden. In het algemeen heeft de regel de volgende vorm: ‘I am to do X in circumstance C in order to bring about Y.’ Een voorbeeld kan zijn dat ik als officier van justitie bij een verdenking vindt dat de verdachte mag worden gemarteld om een bekentenis te verkrijgen omdat een bekentenis de kans op een veroordeling vergroot. Ten tweede moet de persoonlijke regel worden veralgemeniseerd zodat hij voor elke persoon geldt. ‘Everyone is to do X in circumstances C in order to bring about Y.’ Verdergaand met hetzelfde voorbeeld: iedereen mag verdachten martelen om bewijs te vergaren. Ten derde moet de regel volgens Rawls als ‘law of nature’ worden geformuleerd. ‘Everyone always does X in circumstances C in order to bring about Y.’ Iedereen martelt de verdachte altijd om bewijs te verzamelen. Ten vierde moet worden overwogen wat de effecten van deze nieuwe natuurwet zijn en of de persoon wil dat deze maxime een algemeen geldende wet wordt. Wil de actor dat elke verdachte wordt gemarteld? Een mogelijke consequentie van deze algemene wet die de actor hoort te overzien, is dat de actor zelf slachtoffer van marteling kan worden als hij wordt verdacht van een strafbaar feit.
Wat betekenen deze formulering en toepassing van de categorisch imperatief voor het strafprocesrecht? Meer specifiek: kunnen regels aan de hand van deze imperatief worden opgesteld voor het gedrag van de opsporende autoriteiten ten opzichte van de grondrechten van de verdachte? Is een maxime te formuleren waarvan de actor (een opsporingsambtenaar) wenst dat het een algemeen geldende wet zou zijn? Om die vraag te beantwoorden, gebruik ik Rawls’ veil of ignorance.5 Ik acht de sluier noodzakelijk om vanuit een persoon die onwetend is wat betreft zijn positie in het strafprocesrecht te redeneren. Hierdoor dient de persoon aandacht te besteden aan verschillende mogelijke posities die hij kan innemen in het strafproces. Als de persoon weet dat hij als opsporingsambtenaar of juist als verdachte een regel moet formuleren, leidt dat hoogstwaarschijnlijk tot ruime bevoegdheidstoekenning respectievelijk ruimere rechtsbescherming. Bij onwetendheid worden deze twee elementen evenwichtig(er) gebruikt in een algemeen geldende wet. Ik gebruik de sluier van onwetendheid voornamelijk om een ondergrens van de bescherming te formuleren.
De ondergrens wordt negatief geformuleerd en geeft een onthoudingsverplichting weer. Ik acht een absolute ondergrens als algemene wet noodzakelijk omdat dit in abstracto een indicatie geeft welk gedraging verricht door de autoriteiten mensonwaardig is. Doordat de wet negatief wordt geformuleerd, is direct duidelijk welk gedrag ongeoorloofd is. Een positief geformuleerde regel, zoals ‘de aard en mate van de inbreuk op een grondrecht bepaalt welke autoriteit bevoegd is om een proportioneel en betrouwbare opsporingsbevoegdheid op de minst ingrijpende wijze (X) tegen de verdachte (C) in te zetten ten behoeve van de waarheidsvinding (Y)’, biedt de mogelijkheid dat bij zeer ernstige delicten – bijvoorbeeld een terroristische aanslag met duizenden slachtoffers – middelen worden gebruikt – zoals marteling – die misschien wel proportioneel zijn maar niet thuis horen in een fatsoenlijk opererend strafrechtssysteem. Met andere woorden, bepaalde opsporingsmethoden horen te allen tijde als een inbreuk op de menselijke waardigheid te worden aangemerkt. Daarom is het essentieel om de ondergrens van een menswaardige behandeling van de verdachte vast te stellen.