Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.0
III.5.0 Introductie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS459234:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
C. McCrudden, ‘Human Dignity and Judicial Interpretation of Human Rights’, EJIL 2008, 4, p. 678.
Zie bijvoorbeeld H. Spiegelberg, ‘Human dignity: A challenge to contemporary philosophy’, World Futures: The Journal of New Paradigm Research 1971, 1-2, p. 43-45 en D. Luban, ‘Human Dignity, Humiliation, and Torture’, Kennedy Institute of Ethics Journal 2009, 3, p. 211. ‘Modern human rights instruments ground human rights in the concept ofhuman dignity, without providing an underlying theory of human dignity.’ Zie ook C. McCrudden, ‘Human Dignity and Judicial Interpretation of Human Rights’, EJIL 2008, 4, p. 720 en M.C. Nussbaum, Creating Capabilities: The Human Development Approach, Cambridge, MA: The Belknap Press of Harvard University Press 2011, p. 29 en P. Tiedemann, Menschenwürde als Rechtsbegriff, Berlijn: Berliner Wissenschaft Verlag 2012, p. 71 en C.R. Beitz, ‘Human Dignity in the Theory of Human Rights: Nothing But a Phrase?’, Philosophy & Public Affairs 2013, 3, p. 259-260.
E. Brems & J. Vrielink, Menselijke waardigheid in de Nederlandse Grondwet?, Deventer: Kluwer 2010, p. 17-28 en P. Tiedemann, Menschenwürde als Rechtsbegriff, Berlijn: Berliner Wissenschaft Verlag 2012, p. 9-70, 543-561.
P.B. Cliteur & R.G.T. van Wissen, ‘De menselijke waardigheid als grondslag voor mensenrechten. Een beschouwing over het werk van Kant en Schopenhauer in relatie tot de filosofische reflectie over mensenrechten’, in: G.A. van der List (red.), De rechtenvan de mens, ’s-Gravenhage: Teldersstichting 1998, p. 29 en M.D. Goodman, ‘Human Dignity in Supreme Court Constitutional Jurisprudence’, Neb. L. Rev. 2006, 3, p. 748-749 en E. Brems & J. Vrielink, Menselijke waardigheid in de Nederlandse Grondwet?, Deventer: Kluwer 2010, p. 9 en G. Verdirame, ‘Human rights in political and legal theory’, in: S. Sheeran & N. Rodley (eds.), Routledge Handbook of International Human Rights Law, New York, NY: Routledge 2013, p. 28.
Zie ook T. Geddert-Steinacher, Menschenwürde als Verfassungsbegriff (diss. Tübingen), Berlijn: Duncker & Humblot 1990, p. 57.
EHRM 29 april 2002,NJCM-Bulletin 2002, 7, m.nt. Myjer, r.o. 65 (Pretty vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 10 juni 2010, NJCM-Bulletin, 2010, 8, m.nt. Tydeman-Yousef, r.o. 135 (Jehova’s getuigen Moskou vs. Rusland).
C. McCrudden, ‘Human Dignity and Judicial Interpretation of Human Rights’, EJIL 2008, 4, p. 664 en E. Brems & J. Vrielink, Menselijke waardigheid in de Nederlandse Grondwet?, Deventer: Kluwer 2010, p. 10.
O. Schachter, ‘Human Dignity as a Normative Concept’, The American Journal of International Law 1983, 4, p. 849.
E. Brems & J. Vrielink, Menselijke waardigheid in de Nederlandse Grondwet?, Deventer: Kluwer 2010, p. 17 e.v.
‘He grinned like an idiot at the darkness and had to fight himself not to dance a little jig. If he’d been certain that none of his men were near, that no one would see, he would have allowed himself. But he was a commander and not a child. Dignity had its price.’
– Daniel Abraham ~ Seasons of War (2010)
In dit onderzoek wordt een futuristisch dwangmiddel, (neuro)geheugendetectie, bekeken vanuit de mogelijke bijdrage aan de waarheidsvinding in het straf(proces)recht en in het licht van mensenrechten. In dit hoofdstuk wordt de GKT getoetst aan het respect voor de menselijke waardigheid. Verschillende vragen rijzen vanuit het oogpunt van de menselijke waardigheid wanneer de GKT op de verdachte wordt toegepast. Is het menswaardig om informatie uit iemands hersenen, of meer precies uit zijn geheugen, te halen? Of reduceert dit de persoon van de verdachte enkel tot een instrument, een harde schijf waarop herinneringen zijn opgeslagen die kunnen worden ‘gedownload’? Dient niet de geestelijke of mentale integriteit, in dit geval ervaringen en herinneringen, te worden beschermd tegen inmenging van de overheid? Met het bijhouden van een dagboek riskeert de schrijver dat passages worden geopenbaard als het dagboek in andere handen valt. Normaliter blijven gedachten en herinneringen afgeschermd van de buitenwereld. Bij het ‘lezen’ van gedachten en herinneringen dringt een vergelijking met de Thought police (de organisatie die mensen opspoort die anders denken dan de regering) uit 1984 van George Orwell zich op. Is de afwezigheid van (voldoende) ruimte om een individu te zijn met eigen gedachten, een eigen, zelf gekozen leven te leiden en aandacht voor persoonlijke ontwikkeling mensonwaardig omdat het de kern van het mens-zijn aantast? Wat is dan de kern van het mens-zijn (en hetgeen het recht op respect voor menselijke waardigheid beoogt te beschermen)? Dit alles doet de vraag rijzen of de toepassing van de GKT in het strafprocesrecht in overeenstemming is met de waardigheid van de mens. Voordat die vraag kan worden beantwoord, moet eerst worden onderzocht wat de menselijke waardigheid betekent.
Dit gebeurt aan de hand van vijf deelvragen die hieronder worden toegelicht. Dat zijn de volgende vragen: (1) op welke wijze wordt het recht op respect voor menselijke waardigheid in de rechtstheoretische en (rechts)filosofische literatuur beschreven?; (2) op welke wijze wordt het grondrecht door rechtsprekende instanties gebruikt?; (3) in welke mate komen de theoretische en positiefrechtelijke opvatting met elkaar overeen?; (4) aan welke criteria (uit de theorie en/of het positieve recht) moeten opsporingsmethoden op hun overeenstemming met het recht op respect voor menselijke waardigheid worden beoordeeld? en; (5) in hoeverre kan (neuro)geheugendetectie, in het licht van het recht op respect voor menselijke waardigheid, rechtmatig worden afgenomen in het Nederlandse strafprocesrecht?
De menselijke waardigheid speelt in elk geval een belangrijke rol bij de totstandkoming van (een theorie over) mensenrechten: ‘Everyone could agreethat human dignity was central [in a theory of human rights], but not why or how.’1 Omdat de menselijke waardigheid een tamelijk vaag concept is2 en het op meerdere manieren in een juridische context wordt gebruikt – denk daarbij aan de menselijke waardigheid als theoretische grondslag voor mensenrechten, als zelfstandig grondrecht, of als principe bij de interpretatie van andere grondrechten3 – wordt de notie in dit hoofdstuk van verschillende kanten belicht. Eerst wordt de menselijke waardigheid vanuit de filosofie bekeken (eerste deelvraag). De menselijke waardigheid vindt zijn oorsprong in de (kritische) filosofie en de menselijke waardigheid als juridisch concept is mede gebaseerd op de kritische filosofie van Kant.4 Het is belangrijk de totstandkoming van het begrip te bekijken zodat de theorie die ten grondslag ligt aan de menselijke waardigheid mede kan worden gebruikt om het juridische concept in te kleuren. De notie menselijke waardigheid als zodanig is te abstract en te vaag om als juridische toets te gebruiken.5 Het begrip dient dus te worden geconcretiseerd voordat het mogelijk is om dwangmiddelen te beoordelen in het licht van de menselijke waardigheid. Op welke wijze is de menselijke waardigheid in de (rechts)filosofie uitgewerkt, en biedt die uitwerking handvatten voor de toetsing van dwangmiddelen aan de menselijke waardigheid? De filosofische literatuur over de menselijke waardigheid wordt slechts als middel gebruikt om het begrip nader te concretiseren zodat dwangmiddelen eraan kunnen worden getoetst. Het doel van de beschrijving van de menselijke waardigheid vanuit de filosofie is niet om bijvoorbeeld de discussie te beslechten over de interpretatie van Kants werk waarin de menselijke waardigheid wordt gebruikt.
Vervolgens wordt de menselijke waardigheid als juridisch concept uiteengezet (tweede deelvraag). Naar de menselijke waardigheid wordt vaak als grondslag voor mensenrechten verwezen. Zo wijzen zowel de preambule bij het UVRM en het IVBPR expliciet op het belang van de menselijke waardigheid:
‘dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld’ en ‘deze rechten [vloeien] voort […] uit de inherente waardigheid van de menselijke persoon’.
Noch in de preambule, noch in de bepalingen van het EVRM worden de mensenrechten expliciet in verband gebracht met filosofische noties, maar het EHRM overwoog dat
‘[t]he very essence of the Convention is respect for human dignity and human freedom and the notions of self-determination and personal autonomy are important principles underlying the interpretation of its guarantees’.6
Uit deze overweging van het EHRM en de preambules van het UVRM en het IVBPR blijkt dat de menselijke waardigheid (mede) de grondslag voor mensenrechten vormt. Een definitie van het begrip menselijke waardigheid (of een poging daartoe) ontbreekt echter.
Volgens het EHRM kunnen de begrippen menselijke waardigheid en vrijheid worden geïnterpreteerd met behulp van zelfbeschikking en autonomie (zie citaat hierboven). De exacte bescherming die de menselijke waardigheid biedt aan een verdachte is echter onduidelijk. Dit komt mede doordat de menselijke waardigheid niet op een eenduidige wijze door rechtsprekende instanties wordt gebruikt. Het concept ‘menselijke waardigheid’ is in de Ierse context vanuit religieuze overwegingen opgenomen in de Grondwet, terwijl in Finland en de Weimarrepubliek het grondrecht voor respect voor menselijke waardigheid vanuit een socialistische invalshoek werd benaderd.7 Schachter stelt dat een expliciete definitie in internationale en nationale documenten niet te vinden is en dat ‘[i]ts intrinsic meaning has been left to intuitiveunderstanding, conditioned in large measure by cultural factors’.8 Naast de grondslag voor mensenrechten worden nog enkele functies van het juridische concept menselijke waardigheid onderscheiden. Het concept kan ook worden gebruikt als richtinggevend principe bij de interpretatie en bij de beperking van grondrechten.9
Om de GKT te beoordelen in het licht van de menselijke waardigheid (als juridisch concept), dient aandacht te worden besteed aan de verschillende functies die de menselijke waardigheid kan hebben. Wat is de betekenis van het concept menselijke waardigheid in de verschillende functies? Is gezien de rollen die de menselijke waardigheid worden toegeschreven, een bepaalde functie geschikt om te gebruiken als toetspunt voor een dwangmiddel? Ook uit de beschouwing van het juridische concept menselijke waardigheid worden concrete toetspunten opgesteld waaraan dwangmiddelen in het algemeen, en in het onderhavige onderzoek de GKT in het bijzonder, kunnen worden getoetst.
Na de beschouwing en analyse van de menselijke waardigheid als juridisch concept worden de twee delen, het (rechts)filosofische en positiefrechtelijke deel, met elkaar vergelijken (derde deelvraag). In hoeverre komt de betekenis van een menswaardige behandeling in de filosofie overeen met de positiefrechtelijke betekenis? Uiteindelijk leidt de samenvoeging van de twee delen tot een toetsingskader van het concept menselijke waardigheid waarmee dwangmiddelen in het algemeen (vierde deelvraag), en in het onderhavige onderzoek de GKT als testcase (vijfde deelvraag), kunnen worden beoordeeld.